A2 · ElementaryLesson 4 of 4

Het plusquamperfectum voor een eerder verleden

Leer het plusquamperfectum met had, hadden, was en waren gebruiken om duidelijk te maken welke gebeurtenis in het verleden het eerst plaatsvond.

By the flumi team About 5 min read 22 vocabulary wordsGrammar learning path: Verleden tijden in verhalen

Het plusquamperfectum heet ook de voltooid verleden tijd. Je gebruikt het om te laten zien dat iets al gebeurd was vóór een ander moment in het verleden: Toen ik aankwam, was de trein al vertrokken.

Na deze les kun je:

  • had/hadden of was/waren met een voltooid deelwoord combineren;
  • twee gebeurtenissen in het verleden in de juiste volgorde zetten;
  • tijdwoorden zoals al, voordat en nadat duidelijk gebruiken.

Een verleden vóór een ander verleden

Je hebt twee momenten in het verleden. Het plusquamperfectum markeert de gebeurtenis die het eerst gebeurde.

Eerdere gebeurtenis Referentiepunt
18.00 uur: Noor at. 19.00 uur: Ik kwam thuis.

Samen wordt dat: Toen ik om 19.00 uur thuiskwam, had Noor al gegeten. Het eten gebeurde vóór mijn thuiskomst.

Om acht uur begon de film. Wij kwamen om kwart over acht bij de bioscoop.

Toen wij bij de bioscoop kwamen, was de film al begonnen.

De vorm met had en hadden

Gebruik had bij een enkelvoudig onderwerp en hadden bij een meervoudig onderwerp. Daarna komt het voltooid deelwoord.

Onderwerp Hulpwerkwoord Voorbeeld
ik had Ik had gebeld.
jij / je had Jij had gebeld.
u had U had gebeld.
hij / zij / het had Zij had gebeld.
wij / jullie / zij hadden Wij hadden gebeld.

Ook bij jij en u gebruik je had: jij had gebeld en u had gebeld. Er komt geen -t bij.

In een hoofdzin staat had of hadden op de tweede plaats. Het deelwoord staat meestal achteraan: Mijn broer had de kaartjes al gekocht.

Kun je in het perfectum hebben gebruiken? Verander dan heb/heeft/hebben in had/hadden: Wij hebben gegeten → Wij hadden gegeten.

De vorm met was en waren

Werkwoorden die in het perfectum zijn gebruiken, krijgen in het plusquamperfectum was of waren.

Perfectum Plusquamperfectum
Ik ben vertrokken. Ik was vertrokken.
Zij is aangekomen. Zij was aangekomen.
Wij zijn verhuisd. Wij waren verhuisd.
De kinderen zijn gegroeid. De kinderen waren gegroeid.

Kies dus niet vrij tussen had en was. Het hele werkwoord bepaalt hetzelfde hulpwerkwoord als in het perfectum.

Gebruik het juiste hulpwerkwoord.

✓ De trein was vertrokken.

✗ De trein had vertrokken.

Quick check

Try one question now.

1
Voordat de les begon, ik de docent al gebeld.

Check your answer when you are ready. No sign-in needed.

Woorden die de volgorde duidelijk maken

De woorden al, nog niet, nog nooit, net, voordat en nadat helpen om de twee momenten te ordenen.

  • Ik had al betaald voordat de ober terugkwam.
  • Sara had die film nog nooit gezien toen wij erover spraken.
  • De bus was net vertrokken toen we bij de halte kwamen.
  • Nadat we gegeten hadden, maakten we een wandeling.
  • Voordat de film begon, hadden we al gegeten.

Na nadat zijn beide volgordes goed: nadat we gegeten hadden en nadat we hadden gegeten. De gebeurtenis in deze bijzin gebeurde eerst. Staat de voordat-bijzin vooraan, dan volgt inversie in de hoofdzin: Voordat de film begon, hadden we al gegeten.

Ook in andere bijzinnen zijn deze twee volgordes mogelijk: Ik wist niet dat hij al vertrokken was en Ik wist niet dat hij al was vertrokken.

Plusquamperfectum of een gewone verleden tijd

Gebruik het plusquamperfectum alleen als je vanuit een verleden moment terugkijkt naar iets wat daarvoor gebeurde.

Betekenis Voorbeeld
één gebeurtenis in het verleden Gisteren kocht ik een jas.
eerder verleden + later verleden Ik had de jas al gekocht toen de korting begon.
één afgerond feit vóór nu Ik heb de jas gekocht.

Het perfectum kijkt meestal terug vanaf nu. Het plusquamperfectum kijkt terug vanaf een ander moment in het verleden.

Ook in een langere hoofdzin staat het deelwoord meestal achteraan: Wij hadden de kaartjes toen nog niet online gekocht.

De echte tijdsvolgorde is belangrijker dan de volgorde van de zinnen. Je kunt ook zeggen: Ik kon niet naar binnen. Ik had mijn sleutel verloren. Het verlies gebeurde eerst, hoewel je het later vertelt.

Vragen, ontkenningen en controle

In een ja-neevraag staat had/hadden of was/waren voor het onderwerp.

  • Had je de e-mail al gestuurd?
  • Hadden jullie daar eerder gegeten?
  • Was Amir al naar huis gegaan?
  • Waren de gasten al aangekomen?

Voor een ontkenning gebruik je bijvoorbeeld niet, geen of nog nooit: Ik had het bericht niet gelezen en Wij waren daar nog nooit geweest.

Controleer de volgorde in drie stappen:

  1. Zoek het latere moment in het verleden.
  2. Zoek wat vóór dat moment al was gebeurd.
  3. Zet die eerdere gebeurtenis in had/hadden/was/waren + voltooid deelwoord.

Een veelvoorkomend patroon is: de eerdere gebeurtenis in het plusquamperfectum, het latere referentiepunt in het imperfectum of perfectum.

You reached the end

You reached the end

Now make it stick.

Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.

Practice exercises

Was this lesson helpful?

Vocabulary in this lesson

22 words, ready to study.

Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.

Save any of these 22 words and review them later.

Tijdwoorden voor een eerder verleden

22 words

Last updated October 11, 2026