Question 1
De _____ rijdt over het spoor naar Amsterdam.
Options: trein, trijn, treijn
Kies het juiste woordbeeld. Gebruik bij gelijk klinkende woorden de betekenis van de hele zin.
Question 1
De _____ rijdt over het spoor naar Amsterdam.
Options: trein, trijn, treijn
Question 2
Deze sleutel past in mijn zak, want hij is heel _____.
Options: klijn, klein, kleijn
Question 3
Het jonge kind is een _____ van zeven jaar.
Options: mijsje, meijsje, meisje
Question 4
Ik ga niet weg; ik wil hier _____.
Options: blijven, bleiven, bleijven
Question 5
In de winter ligt er soms _____ op het water.
Options: eis, ijs, eijs
Question 6
We rijden in een _____ met vier wielen.
Options: outo, auwto, auto
Question 7
Na een uur werken nemen we tien minuten _____.
Options: pauze, pouze, pauwze
Question 8
Bij de pasta eet ik een rode tomaten_____.
Options: sous, saus, sauws
Question 9
De tafel is gemaakt van _____ uit een boom.
Options: haut, hauwt, hout
Question 10
Mijn vrienden en ik gaan samen. _____ nemen de bus.
Options: Wij, Wei, Wijd
Question 11
De koe eet gras in de groene _____.
Options: wij, wei, weid
Question 12
Volg het teken met de punt; de _____ wijst naar de uitgang.
Options: peil, peijl, pijl
Question 13
Na de regen staat het water op een hoog _____.
Options: peil, pijl, peijl
Question 14
Deze wortel is niet gekookt; hij is _____.
Options: rouw, rauw, raou
Question 15
Na het overlijden is de familie verdrietig en in _____.
Options: rauw, rouwt, rouw
Practice Klank en betekenis with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Klank en betekenis in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.