Question 1
De bezoeker vraagt hoe laat _____.
Options: begint de rondleiding, de rondleiding begint, de rondleiding beginnen
Kies de passende aanvulling. Let op de betekenis en de woordvolgorde. Volg een eventueel genoemd register.
Question 1
De bezoeker vraagt hoe laat _____.
Options: begint de rondleiding, de rondleiding begint, de rondleiding beginnen
Question 2
Er zijn twee mogelijkheden: de aanvraag is ontvangen of niet. Ik wil weten _____ de aanvraag is ontvangen.
Options: dat, als, of
Question 3
Dit is een voorwaarde, geen vraag: je krijgt alleen toegang _____ je een geldig kaartje hebt.
Options: als, of, dat
Question 4
In neutrale schrijftaal: de medewerker legt uit _____.
Options: waar kunnen we ons aanmelden, waar we ons kunnen aanmelden, waar we ons kunnen aanmeldt
Question 5
Je rekent op een collega voor hulp. Ik wil weten _____ je rekent.
Options: wie, aan wie, op wie
Question 6
De kandidaat moet aan enkele voorwaarden voldoen. Zij vraagt _____ zij moet voldoen.
Options: aan welke voorwaarden, welke voorwaarden, op welke voorwaarden
Question 7
Het gesprek ging over een nog onbekend onderwerp. Kies de neutrale, aaneengeschreven vraagvorm: niemand weet _____ het gesprek ging.
Options: waaraan, waarover, waarop
Question 8
Je verwijst naar een eerder besluit. Kun je uitleggen waar je precies _____ verwijst?
Options: over, aan, naar
Question 9
De organisator zoekt de namen van de deelnemers. Hij vraagt wie _____.
Options: zich heeft aangemeld, zich heeft aanmelden, heeft zich aangemeld
Question 10
De beheerder wil weten hoeveel mensen _____.
Options: werken er in het gebouw, er in het gebouw werken, er in het gebouw te werken
Question 11
De gasten vragen waarom _____.
Options: is het diner verplaatst, het diner is verplaatsen, het diner is verplaatst
Question 12
De klant wil weten wanneer het nieuwe bed _____.
Options: bezorgd zou moeten worden, bezorgd zou te moeten worden, bezorgd zou moeten te worden
Practice Informatie opvragen en onzekerheid uitdrukken with this interactive fill-in-the-blank exercise of 12 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Informatie opvragen en onzekerheid uitdrukken in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.