Question 1
In de zin «Wie de prijs krijgt, wordt morgen bekend» is «Wie de prijs krijgt» het _____.
Options: lijdend voorwerp, onderwerp, voorzetselvoorwerp
Kies de juiste aanvulling of grammaticale beschrijving. Let ook op beknopte vragen en op de leestekens van de volledige zin.
Question 1
In de zin «Wie de prijs krijgt, wordt morgen bekend» is «Wie de prijs krijgt» het _____.
Options: lijdend voorwerp, onderwerp, voorzetselvoorwerp
Question 2
In de zin «De monteur onderzoekt waarom de lamp knippert» is «waarom de lamp knippert» het _____.
Options: onderwerp, naamwoordelijk deel, lijdend voorwerp
Question 3
In de zin «Het probleem is hoe we thuis komen» is «hoe we thuis komen» het _____ van het naamwoordelijk gezegde.
Options: naamwoordelijk deel, lijdend voorwerp, voorzetselvoorwerp
Question 4
In de zin «Het succes hangt af van hoe goed we samenwerken» vormt «van hoe goed we samenwerken» het _____.
Options: onderwerp, voorzetselvoorwerp, lijdend voorwerp
Question 5
Er zijn twee gelijkwaardige formuleringen: «Of de route veilig is, blijft onduidelijk» en «_____ blijft onduidelijk of de route veilig is».
Options: Er, Dat, Het
Question 6
In «De vraag naar wie de leiding neemt, houdt ons bezig» hoort «naar» bij _____.
Options: het naamwoord vraag, het werkwoord neemt, het onderwerp wie
Question 7
De uitslag kan positief of negatief zijn. De commissie bespreekt de vraag _____ het plan haalbaar is of niet.
Options: als, of, dat
Question 8
De onderzoeker vraagt naar drie verschillende dingen: het soort woning, de keuze uit twee adressen en het aantal bewoners. Vul in dezelfde volgorde aan: _____ woning zoekt u? _____ van deze twee adressen kiest u? _____ mensen gaan er wonen?
Options: Hoeveel, Welke, Wat voor, Welk
Question 9
In zijn schriftelijke verslag schrijft de arts: «Ik wist niet hoe _____.» Kies de beknopte vraag waarin de arts zelf handelt.
Options: ik te reageren, te reageer, te reageren
Question 10
Maak van «Ik weet niet wat ik moet meenemen» een beknopte vraag: «Ik weet niet wat _____.»
Options: mee te nemen, te meenemen, mee te neem
Question 11
Kies een volledige redenvraag, geen beknopte vraag: de medewerker begrijpt niet waarom _____.
Options: opnieuw te betalen, hij opnieuw moet betalen, moet hij opnieuw betalen
Question 12
Kies de gewone afsluitende leestekens, zonder uitroep of bijzondere intonatie. «Kunt u aangeven waar ik moet tekenen_____» «Mijn vraag is waar ik moet tekenen_____»
Options: ., ,, ?
Practice Vraagzinnen als zinsdeel en in geschreven taal with this interactive fill-in-the-blank exercise of 12 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Vraagzinnen als zinsdeel en in geschreven taal in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.