Question 1
Noor koopt vandaag brood bij de bakker. Je wilt vandaag extra aandacht geven. Kies de juiste mededeling: _____
Options: Vandaag Noor koopt brood bij de bakker., Vandaag koopt Noor brood bij de bakker., Koopt Noor vandaag brood bij de bakker?
Question 2
Amir reist morgen naar Gent. Begin de mededeling met morgen: _____
Options: Morgen reist Amir naar Gent., Morgen Amir reist naar Gent., Reist Amir morgen naar Gent?
Question 3
De les begint om half negen. Welke mededeling begint met het hele tijdsdeel om half negen? _____
Options: Om half negen de les begint., Begint de les om half negen?, Om half negen begint de les.
Question 4
Eva leest na het ontbijt de krant. Zet na het ontbijt vooraan: _____
Options: Na het ontbijt leest Eva de krant., Na het ontbijt Eva leest de krant., Leest Eva na het ontbijt de krant?
Question 5
Mijn vader werkt op dinsdag thuis. Je wilt de dag als eerste noemen. Kies de mededeling: _____
Options: Op dinsdag mijn vader werkt thuis., Op dinsdag werkt mijn vader thuis., Werkt mijn vader op dinsdag thuis?
Question 6
Wij koken vanavond pasta. Begin met vanavond en houd het een mededeling: _____
Options: Vanavond wij koken pasta., Koken wij vanavond pasta?, Vanavond koken wij pasta.
Question 7
Sam bezoekt dit weekend zijn opa. Welke zin geeft dit weekend extra aandacht? _____
Options: Bezoekt Sam dit weekend zijn opa?, Dit weekend bezoekt Sam zijn opa., Dit weekend Sam bezoekt zijn opa.
Question 8
De studenten drinken voor de les koffie. Begin met het hele tijdsdeel voor de les: _____
Options: Voor de les drinken de studenten koffie., Voor de les de studenten drinken koffie., Drinken de studenten voor de les koffie?
Question 9
Luca haalt na het werk zijn dochter op. Je wilt na het werk vooraan zetten. Kies de juiste zin: _____
Options: Na het werk Luca haalt zijn dochter op., Haalt Luca na het werk zijn dochter op?, Na het werk haalt Luca zijn dochter op.
Question 10
De docent schrijft in de ochtend een bericht. Welke mededeling begint met in de ochtend? _____
Options: In de ochtend schrijft de docent een bericht., In de ochtend de docent schrijft een bericht., Schrijft de docent in de ochtend een bericht?
Question 11
Jij werkt vandaag in de boekwinkel. Begin de mededeling met vandaag: _____
Options: Vandaag werkt jij in de boekwinkel., Vandaag werk jij in de boekwinkel., Vandaag jij werkt in de boekwinkel.
Question 12
Je fietst morgen naar school. Geef morgen de eerste plaats: _____
Options: Morgen je fietst naar school., Morgen fietst je naar school., Morgen fiets je naar school.
Question 13
Jij wacht na de les bij de ingang. Begin met na de les: _____
Options: Na de les jij wacht bij de ingang., Na de les wacht jij bij de ingang., Na de les wach jij bij de ingang.
Question 14
De trein vertrekt om tien over acht naar Breda. Begin met de volledige tijd om tien over acht: _____
Options: Om tien over acht vertrekt de trein naar Breda., Om tien over acht de trein vertrekt naar Breda., Vertrekt de trein om tien over acht naar Breda?
Question 15
Mijn collega belt haar zus na de lunch. Welke mededeling zet na de lunch vooraan? _____
Options: Na de lunch mijn collega belt haar zus., Belt mijn collega haar zus na de lunch?, Na de lunch belt mijn collega haar zus.