Question 1
Mira leest een tijdschrift in de bibliotheek. Begin de mededeling met in de bibliotheek: _____
Options: In de bibliotheek leest Mira een tijdschrift., In de bibliotheek Mira leest een tijdschrift., Leest Mira een tijdschrift in de bibliotheek?
Question 2
De reiziger wacht op het station. Welke mededeling zet op het station vooraan? _____
Options: Op het station de reiziger wacht., Wacht de reiziger op het station?, Op het station wacht de reiziger.
Question 3
Emma koopt brood bij de bakker. Je wilt de plaats als eerste noemen. Kies de juiste zin: _____
Options: Bij de bakker Emma koopt brood., Bij de bakker koopt Emma brood., Koopt Emma brood bij de bakker?
Question 4
Omar woont in Utrecht. Welke zin begint met de woonplaats en blijft een mededeling? _____
Options: Woont Omar in Utrecht?, In Utrecht woont Omar., In Utrecht Omar woont.
Question 5
Mijn broer speelt voetbal naast de school. Begin met naast de school: _____
Options: Naast de school speelt mijn broer voetbal., Naast de school mijn broer speelt voetbal., Speelt mijn broer voetbal naast de school?
Question 6
Mijn vader maakt thuis soep. Welke mededeling geeft thuis extra aandacht? _____
Options: Thuis mijn vader maakt soep., Maakt mijn vader thuis soep?, Thuis maakt mijn vader soep.
Question 7
De dokter werkt op de derde verdieping. Zet de volledige plaats vooraan: _____
Options: Op de derde verdieping werkt de dokter., Op de derde verdieping de dokter werkt., Werkt de dokter op de derde verdieping?
Question 8
Mijn fiets staat voor het huis. Welke mededeling begint met voor het huis? _____
Options: Voor het huis mijn fiets staat., Staat mijn fiets voor het huis?, Voor het huis staat mijn fiets.
Question 9
De medewerker helpt een klant achter de balie. Je wilt de plaats vooraan zetten. Kies de zin: _____
Options: Helpt de medewerker een klant achter de balie?, Achter de balie helpt de medewerker een klant., Achter de balie de medewerker helpt een klant.
Question 10
De buren wandelen in het park. Welke zin begint met de plaats en geeft informatie? _____
Options: In het park de buren wandelen., In het park wandelen de buren., Wandelen de buren in het park?
Question 11
Jij werkt op kantoor met Fatima. Begin de mededeling met op kantoor: _____
Options: Op kantoor jij werkt met Fatima., Op kantoor werkt jij met Fatima., Op kantoor werk jij met Fatima.
Question 12
Je fietst naar de markt. Welke mededeling begint met de richting naar de markt? _____
Options: Naar de markt fiets je., Naar de markt je fietst., Naar de markt fietst je.
Question 13
Jij wacht bij de bushalte op Noor. Zet bij de bushalte vooraan: _____
Options: Bij de bushalte jij wacht op Noor., Bij de bushalte wach jij op Noor., Bij de bushalte wacht jij op Noor.
Question 14
Eén kind speelt met een bal op het plein. Maak de zin af: "Op het plein _____ met een bal."
Options: speelt het kind, het kind speelt, spelen het kind
Question 15
De fietsen staan aan het einde van de straat. Begin met de volledige plaats aan het einde van de straat: _____
Options: Aan het einde van de straat de fietsen staan., Aan het einde van de straat staan de fietsen., Staan de fietsen aan het einde van de straat?