Build the sentence

Bouw ja-neevragen en antwoorden

Tik de woorden in de juiste volgorde en laat woorden die niet in de vraag of het antwoord horen weg.

0 / 10 sentences built0%

Question 1

Bouw de vraag: _____

Options: Woon je in Breda?, woont, wonen

Question 2

Bouw de vraag: _____

Options: zijn, Is de bakkerij open?, bent

Question 3

Bouw de vraag: _____

Options: lezen, gelezen, Leest hij de krant?

Question 4

Bouw de vraag: _____

Options: Komen jullie morgen?, komt, gekomen

Question 5

Bouw de vraag: _____

Options: helpen, Helpt Noor mij?, geholpen

Question 6

Bouw de vraag: _____

Options: maakt, maken, Maak jij de soep?

Question 7

Bouw de vraag: _____

Options: Wacht je op de bus?, wachten, wachtend

Question 8

Bouw de vraag: _____

Options: kunnen, Kun jij dit apparaat repareren?, repareert

Question 9

Bouw het antwoord: _____

Options: komt, gekomen, Ja, wij komen morgen.

Question 10

Bouw het antwoord: _____

Options: Nee, het museum is niet open., ben, bent

Practice Bouw ja-neevragen en antwoorden with this interactive sentence-building exercise of 10 questions. Tap the words into the correct order to build each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every sentence.

Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Bouw ja-neevragen en antwoorden in everyday Dutch.

Looking for more practice? See all exercises for this lesson.