Question 1
Bouw de vraag: _____
Options: Woon je in Breda?, woont, wonen
Tik de woorden in de juiste volgorde en laat woorden die niet in de vraag of het antwoord horen weg.
Question 1
Bouw de vraag: _____
Options: Woon je in Breda?, woont, wonen
Question 2
Bouw de vraag: _____
Options: zijn, Is de bakkerij open?, bent
Question 3
Bouw de vraag: _____
Options: lezen, gelezen, Leest hij de krant?
Question 4
Bouw de vraag: _____
Options: Komen jullie morgen?, komt, gekomen
Question 5
Bouw de vraag: _____
Options: helpen, Helpt Noor mij?, geholpen
Question 6
Bouw de vraag: _____
Options: maakt, maken, Maak jij de soep?
Question 7
Bouw de vraag: _____
Options: Wacht je op de bus?, wachten, wachtend
Question 8
Bouw de vraag: _____
Options: kunnen, Kun jij dit apparaat repareren?, repareert
Question 9
Bouw het antwoord: _____
Options: komt, gekomen, Ja, wij komen morgen.
Question 10
Bouw het antwoord: _____
Options: Nee, het museum is niet open., ben, bent
Practice Bouw ja-neevragen en antwoorden with this interactive sentence-building exercise of 10 questions. Tap the words into the correct order to build each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every sentence.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Bouw ja-neevragen en antwoorden in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.