A1 · BeginnerLesson 2 of 3

Ja-neevragen met inversie

Leer Nederlandse ja-neevragen met inversie maken, zet de persoonsvorm voor het onderwerp en geef korte of volledige antwoorden met ja of nee.

By the flumi team About 3 min read 14 vocabulary wordsGrammar learning path: Vragen stellen en instructies geven

Met een ja-neevraag controleer je informatie. Het antwoord begint meestal met ja of nee. In de vraag staat de persoonsvorm vóór het onderwerp.

Na deze les kun je:

  • een mededeling in een ja-neevraag veranderen;
  • de persoonsvorm op de eerste plaats zetten;
  • jij en je met de juiste werkwoordsvorm gebruiken;
  • kort of met een volledige zin antwoorden.

Persoonsvorm + onderwerp

Een mededeling begint vaak met het onderwerp. Voor een ja-neevraag wissel je de persoonsvorm en het onderwerp om. Dat is inversie.

Mededeling Ja-neevraag
Je woont in Utrecht. Woon je in Utrecht?
De winkel is open. Is de winkel open?
Hij leest het boek. Leest hij het boek?
Jullie komen morgen. Komen jullie morgen?

Noor werkt vandaag in het café.

Persoonsvorm: werkt.

Vraag: Werkt Noor vandaag in het café?

Zo maak je de vraag

  1. Zoek de persoonsvorm in de mededeling.
  2. Zet de persoonsvorm vooraan.
  3. Zet het onderwerp direct erna.
  4. Laat de andere woorden op hun plaats staan.
  5. Zet een vraagteken aan het einde.

Kun je de vraag logisch met ja of nee beantwoorden? Dan heb je waarschijnlijk een ja-neevraag gemaakt.

Jij en je na de persoonsvorm

Bij jij of je direct na de persoonsvorm vervalt de uitgang -t. Een t in de stam blijft staan.

Mededeling Vraag
Jij werkt hier. Werk jij hier?
Je maakt de soep. Maak je de soep?
Jij wacht op de bus. Wacht jij op de bus?

Bij u, hij en zij blijft de gewone vorm staan: Werkt u hier?, Werkt hij hier?, Werkt zij hier?

Quick check

Try one question now.

1

De supermarkt sluit om zes uur. Je wilt controleren of die tijd klopt. Welke vraag stel je?

Answer options

Check your answer when you are ready. No sign-in needed.

Vragen met twee werkwoorden

Heeft de zin twee werkwoorden? Zet alleen de persoonsvorm vooraan. Het andere werkwoord blijft aan het einde.

Mededeling Vraag
Jij kunt de fiets repareren. Kun jij de fiets repareren?
Wij moeten het formulier invullen. Moeten wij het formulier invullen?
De kinderen willen buiten spelen. Willen de kinderen buiten spelen?

Niet: Repareren jij kunt de fiets? De persoonsvorm kunt gaat naar voren en wordt bij jij kun: Kun jij de fiets repareren?

Antwoorden met ja of nee

Een kort antwoord is mogelijk, maar een volledige zin geeft meer informatie.

Vraag Kort antwoord Volledig antwoord
Woon je in Utrecht? Ja. Ja, ik woon in Utrecht.
Werkt Sara vandaag? Nee. Nee, ze werkt morgen.
Is het museum open? Nee. Nee, het museum is niet open.

Bij een ontkennend antwoord staat niet vaak bij de informatie die niet klopt: Nee, ik woon niet in Utrecht.

Vraagcheck

  • Staat de persoonsvorm vooraan?
  • Staat het onderwerp direct na de persoonsvorm?
  • Blijft een tweede werkwoord achteraan?
  • Klopt de vorm bij jij of je?
  • Staat er een vraagteken?

Het basisschema is: persoonsvorm + onderwerp + rest + ?

You reached the end

You reached the end

Now make it stick.

Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.

Practice exercises

Was this lesson helpful?

Vocabulary in this lesson

14 words, ready to study.

Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.

Save any of these 14 words and review them later.

Werkwoorden voor ja-neevragen

14 words

Last updated October 11, 2026