Question 1
De spelers moeten hun techniek verbeteren. De trainer laat hen dagelijks _____.
Options: te oefenen, oefenen, geoefend, oefent
Kies de juiste vorm, voorwerpsvorm of werkwoordgroep met laten en doen.
Question 1
De spelers moeten hun techniek verbeteren. De trainer laat hen dagelijks _____.
Options: te oefenen, oefenen, geoefend, oefent
Question 2
De reactie is direct: ‘De scherpe rook doet mij _____.’
Options: te hoesten, gehoest, hoest, hoesten
Question 3
Mark presenteert het plan. Welke voorwerpsvorm past? ‘De directeur laat _____ het plan presenteren.’
Options: hem, hij, zijn, hijzelf
Question 4
Wij moeten een extra ronde lopen. ‘De trainer laat _____ na de pauze nog een ronde lopen.’
Options: wij, onze, ons, we
Question 5
Welke hoofdzin zet de infinitief op de natuurlijke eindplaats? _____
Options: De eigenaar reinigen laat de gevel volgende maand., De eigenaar laat de gevel volgende maand reinigen., De eigenaar de gevel laat volgende maand reinigen., De eigenaar laat de gevel volgende maand gereinigd.
Question 6
Het gebeurde gisteren en de begeleider is één persoon. ‘De begeleider _____ haar even pauzeren.’
Options: laat, laten, gelaten, liet
Question 7
Welke verleden tijd past bij het meervoudige onderwerp? ‘De buren _____ de kinderen in hun tuin spelen.’
Options: lieten, liet, laten, gelaten
Question 8
Kies de verleden tijd van doen: ‘De plotselinge flits _____ mij knipperen.’
Options: doet, deden, deed, gedaan
Question 9
De zin staat in het verleden. ‘De onverwachte vragen _____ ons aan het besluit twijfelen.’
Options: deed, deden, doen, gedaan
Question 10
Een monteur heeft de controle uitgevoerd. ‘De garage heeft onze remmen _____.’
Options: gelaten controleren, te laten controleren, laten gecontroleerd, laten controleren
Question 11
Het gesprek veroorzaakte een nieuw inzicht. ‘Dat gesprek heeft mij _____.’
Options: doen beseffen hoe belangrijk rust is, gedaan beseffen hoe belangrijk rust is, doen te beseffen hoe belangrijk rust is, deed beseffen hoe belangrijk rust is
Question 12
Er volgt geen tweede infinitief. ‘Ik heb mijn sleutels bij de receptie _____.’
Options: laten, liet, gelaten, gedaan
Question 13
Doen is hier het hoofdwerkwoord en ondersteunt geen tweede infinitief. ‘Zij heeft precies _____ wat de arts vroeg.’
Options: doen, gedaan, gedaan uitvoeren, doen uitgevoerd
Question 14
Vul beide langere werkwoordgroepen aan: ‘Omdat we de lift _____, werkt hij weer. Volgende maand wil de beheerder de noodknop _____.’
Options: laten hebben repareren, hebben gelaten repareren, hebben laten gerepareerd, hebben laten repareren, laten vervangen, te laten vervangen, laten vervangen te, gelaten vervangen
Practice Vormen en werkwoordgroepen with this interactive fill-in-the-blank exercise of 14 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Vormen en werkwoordgroepen in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.