Question 1
Een roman vertelt over 1890: ‘De koets wachtte. Dan springt de gevangene naar buiten. Een ogenblik later verdween hij tussen de bomen.’ Bij ‘springt’ verandert _____.
Options: de historische datering van de ontsnapping naar het schrijfheden, de presentatie van een gebeurtenis binnen hetzelfde historische tijdvak, de chronologische richting van de passage naar een eerdere ontsnapping
Question 2
‘De bewaker hief zijn lamp, duwde de deur open en betrad de kelder.’ De drie imperfectumvormen geven hier _____ weer.
Options: opeenvolgende gebeurtenissen in de verhaallijn, uitsluitend gelijktijdige achtergrondinformatie, een terugkerende gewoonte buiten de verhaallijn
Question 3
‘Terwijl de gasten hun jassen ophingen, zoemde de ventilator onafgebroken boven de tafel.’ ‘Zoemde’ vormt hier _____.
Options: een vooruitwijzing naar een nog latere gebeurtenis, een eenmalige gebeurtenis na het ophangen van de jassen, een durende achtergrond bij gelijktijdige handelingen
Question 4
‘De tuinman bezat een klein huis. Elke zondag bakte hij brood voor zijn buren.’ De imperfectumvormen drukken achtereenvolgens _____ uit.
Options: een gewoonte en een toestand, een toestand en een gewoonte, twee opeenvolgende eenmalige handelingen
Question 5
‘In 1906 opent de vereniging haar eerste leeszaal; in 1909 volgt een tweede vestiging.’ Dit presens _____.
Options: vat historische gebeurtenissen samen zonder noodzakelijk spanning op te roepen, maakt de gebeurtenissen noodzakelijk spannend door de tijdsvorm alleen, plaatst beide openingen noodzakelijk op het actuele spreekmoment
Question 6
‘De kok wist dat olie op water drijft. Hij zette de fles terug.’ ‘Drijft’ verwoordt hier _____.
Options: een historisch presens dat de handeling van het terugzetten versnelt, een directe uitspraak met een eigen spreekmoment van de kok, een algemeen geldige bewering binnen een verleden vertelling
Question 7
Vergelijk ‘Ik sloot de winkel in april’ met ‘Ik heb de winkel in april gesloten’. Zonder verdere context presenteert de tweede opening het sluiten als _____.
Options: een handeling die als actueel tafereel voor de lezer plaatsvindt, een afgerond feit waarop de verteller vanuit een later nu terugkijkt, een gebeurtenis die noodzakelijk vóór een al gevestigd verleden raam ligt
Question 8
‘We namen afscheid bij de brug. Zij fietste naar het dorp. Sindsdien heb ik niets meer van haar vernomen.’ De slotzin _____.
Options: overziet vanuit een later vertelmoment de periode na het afscheid, beschrijft uitsluitend de volgende handeling tijdens het afscheid, opent een tijdlaag die volledig vóór het afscheid ligt
Question 9
Een vertelling in het historisch presens luidt: ‘Het is middernacht in het kamp. De arts telt de bedden. Twee patiënten zijn inmiddels vertrokken.’ Het perfectum wordt hier betrokken op _____.
Options: uitsluitend het moment waarop de auteur de roman schrijft, een toekomstige scène die nog niet is ingevoerd, het tijdelijke nu van de kampscène
Question 10
Een redacteur beweert: ‘In proza beschrijft het imperfectum alleen toestanden; alleen het perfectum kan afgeronde handelingen vertellen.’ Die analyse _____.
Options: geldt voor alle vertellingen behalve teksten in directe rede, maakt ten onrechte een absolute tegenstelling van voltooiing en beschrijving, volgt noodzakelijk uit de verschillende vormen van de hulpwerkwoorden
Question 11
‘Nora herkende de ring. Haar oom had hem jaren eerder aan een reiziger verkocht.’ ‘Had verkocht’ situeert de verkoop _____.
Options: vóór het actieve verleden moment van het herkennen, na het actieve verleden moment van het herkennen, op hetzelfde moment als het herkennen, zonder eerdere laag
Question 12
‘In 1998 vond hij het dagboek. Hij had het tijdens zijn studietijd bijgehouden. In de herfst van 1972 woonde hij boven een bakkerij en werkte hij elke nacht aan zijn roman.’ Het imperfectum in de laatste zin _____.
Options: bewijst dat de vertelling alweer in 1998 is aangekomen, moet worden vervangen omdat elke flashbackzin plusquamperfectum vereist, zet de terugblik voort binnen het zelfstandige tijdanker 1972