Question 1
Rik heeft een fiets, maar Noor heeft niets om op te fietsen. Noor heeft _____.
Options: geen fiets, niet fiets, geen een fiets
Kies de juiste negatieve woordgroep. Let op enkelvoud, meervoud, niet-telbare woorden en bijvoeglijke naamwoorden.
Question 1
Rik heeft een fiets, maar Noor heeft niets om op te fietsen. Noor heeft _____.
Options: geen fiets, niet fiets, geen een fiets
Question 2
Eva past een jas, maar besluit niets te kopen. Uiteindelijk koopt zij _____.
Options: niet jas, geen jas, geen een jas
Question 3
De monteur controleert de auto en alles werkt goed. Er is _____.
Options: niet probleem, geen een probleem, geen probleem
Question 4
Alle rekken van de boekwinkel zijn leeg. De winkel heeft vandaag _____.
Options: geen boeken verkocht, boeken geen verkocht, geen de boeken verkocht
Question 5
Iris wil tijdens de reis helemaal niet fotograferen. Zij maakt _____.
Options: foto’s geen, geen foto’s, geen de foto’s
Question 6
De nieuwkomers kennen nog niemand in hun woonplaats. Zij hebben daar _____.
Options: vrienden geen, geen de vrienden, geen vrienden
Question 7
Bij de lunch kies ik alleen water. Ik drink _____.
Options: geen koffie, niet koffie, geen een koffie
Question 8
Onze agenda is de hele dag vol. Wij hebben _____ voor een lange pauze.
Options: niet tijd, geen tijd, geen een tijd
Question 9
Na het schoonmaken is de tafel leeg. Er ligt _____ op tafel.
Options: niet suiker, geen een suiker, geen suiker
Question 10
De fietsenwinkel heeft alleen blauwe modellen. Ik koop daar _____.
Options: geen rode fiets, geen fiets rode, geen een rode fiets
Question 11
Ons gezin bezit alleen een klein appartement. Wij hebben _____.
Options: niet groot huis, geen groot huis, geen grote huis
Question 12
Mila draagt haar oude laarzen, want zij heeft _____.
Options: geen nieuw schoenen, niet nieuwe schoenen, geen nieuwe schoenen
Question 13
Het regent hard en het waait. Vandaag is _____ voor een picknick.
Options: geen mooie dag, geen dag mooie, geen een mooie dag
Question 14
In de koelkast staat alleen water. We hebben _____ voor het ontbijt.
Options: niet verse melk, geen verse melk, geen melk verse
Question 15
Alle overgebleven kaartjes zijn duur. Het theater verkoopt _____ meer.
Options: geen goedkoop kaartjes, geen kaartjes goedkope, geen goedkope kaartjes
Practice Geen voor de woordgroep with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Geen voor de woordgroep in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.