Question 1
Ik kom _____, maar donderdag.
Options: niet woensdag, woensdag geen, geen op woensdag
Kies de woorden die het contrast compleet maken.
Question 1
Ik kom _____, maar donderdag.
Options: niet woensdag, woensdag geen, geen op woensdag
Question 2
Hij woont _____ Utrecht, maar in Haarlem.
Options: in niet, geen in, niet in
Question 3
De sjaal is _____, maar rood.
Options: blauw niet, niet blauw, geen blauw
Question 4
Mila praat _____, maar hard.
Options: geen zacht, niet zacht, zacht niet
Question 5
Wij gaan _____ de auto, maar met de bus.
Options: niet met, met niet, geen met
Question 6
De sleutel ligt _____ de tafel, maar in de la.
Options: op niet, geen op, niet op
Question 7
Noor werkt _____ de ochtend, maar in de avond.
Options: niet in, in niet, geen in
Question 8
De fiets is _____, maar goedkoop.
Options: duur niet, niet duur, geen duur
Question 9
Ik kijk _____, maar ik lees het boek.
Options: de niet film, geen de film, de film niet
Question 10
Sara vindt _____, maar haar eigen tas wel.
Options: geen jouw tas, jouw tas niet, jouw niet tas
Question 11
We eten vanavond _____, maar in een restaurant.
Options: niet thuis, thuis geen, geen thuis
Question 12
Je eet _____, maar soep.
Options: geen een broodje, een geen broodje, geen broodje
Question 13
Mila koopt _____, maar die pet wel.
Options: deze hoed niet, geen deze hoed, deze niet hoed
Question 14
Wij drinken _____ melk, maar water.
Options: geene, geen, geenen
Question 15
De winkel is _____, maar dicht.
Options: geen open, open niet, niet open
Practice Niet dit, maar dat with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Niet dit, maar dat in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.