Question 1
Luister, dit is de eerste keer dat ik mijn portemonnee in de bus _____ _____.
Options: heb, had, was, laat liggen, laten liggen, liet liggen
Kies de werkwoordsvorm die past bij het nieuws, de achtergrond of de verhaallijn.
Question 1
Luister, dit is de eerste keer dat ik mijn portemonnee in de bus _____ _____.
Options: heb, had, was, laat liggen, laten liggen, liet liggen
Question 2
Lees: Het was druk in de bus en alle zitplaatsen waren bezet. De verteller gebruikt hier het _____.
Options: perfectum om nieuws vanuit nu te melden, imperfectum om de achtergrond te beschrijven, plusquamperfectum om naar een eerder moment terug te kijken
Question 3
Lees: Ik stapte bij de volgende halte uit, liep naar huis en merkte het verlies pas later. De drie handelingen staan in het _____.
Options: perfectum en melden afgeronde feiten vanuit nu, plusquamperfectum en gaan vooraf aan een ander verleden moment, imperfectum en vormen samen een verhaallijn
Question 4
Lees: In die periode woonde ik buiten de stad en reisde ik elke werkdag met dezelfde bus. De verteller gebruikt het _____.
Options: imperfectum om een vroegere gewoonte te beschrijven, perfectum om een afgesloten periode samen te vatten, plusquamperfectum om een eerdere gebeurtenis te verklaren
Question 5
Mijn portemonnee is gevonden, maar ik _____ hem nog niet _____.
Options: had, heb, was, terugkrijgen, kreeg terug, teruggekregen
Question 6
Wat is er gebeurd? We _____ zojuist voor het eerst sinds onze verhuizing onze vroegere buurvrouw _____.
Options: hadden, waren, hebben, ontmoet, ontmoetten, ontmoeten
Question 7
Lees: We zaten in de bibliotheek toen de brandmelder plotseling afging. De vorm zaten staat in het _____.
Options: plusquamperfectum en beschrijft een eerder bezoek, imperfectum en beschrijft de situatie tijdens het alarm, perfectum en vat het bezoek samen vanuit nu
Question 8
En na die ontmoeting? We _____ meteen een lunchafspraak _____; die staat nu in onze agenda.
Options: maakten, hebben, hadden, maken, gemaakt
Question 9
Lees: Amir hing zijn jas op, opende zijn laptop en ging aan het werk. Met opende gebruikt de verteller het _____.
Options: perfectum voor een resultaat vanuit nu, plusquamperfectum voor een stap vóór het ophangen van de jas, imperfectum voor de volgende stap in het verhaal
Question 10
Tijdens een wandeling werden we door noodweer verrast. Sindsdien _____ we altijd regenjassen _____, ook vandaag weer.
Options: hebben, hadden, namen, meenemen, namen mee, meegenomen
Question 11
Ik kon op het vliegveld niet inchecken, want ik _____ mijn identiteitskaart thuis _____.
Options: hadden, had, was, laten liggen, liet liggen, laat liggen
Question 12
Lees: Gisteren regende het hard en waaide er een koude wind. Beide werkwoorden staan in het _____.
Options: imperfectum om een scène op te bouwen, perfectum om afgeronde feiten vanuit nu te melden, plusquamperfectum om naar een eerder verleden terug te kijken
Question 13
Goed nieuws? Ja! Ik _____ eindelijk een nieuwe baan _____; volgende week begin ik.
Options: heb, was, vond, vinden, gevonden
Question 14
Terwijl Amir het eten _____, dekte Noor de tafel.
Options: heeft gekookt, kookte, had gekookt
Question 15
Lees: Noor liep het café binnen. Toen bestelde ze thee en zocht ze een tafel. Met bestelde gebruikt de verteller het _____.
Options: plusquamperfectum om een eerdere bestelling te verklaren, imperfectum om de gebeurtenissen verder te vertellen, perfectum om terug te keren naar het gesprek van nu
Practice Van nieuws naar scène with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Van nieuws naar scène in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.