Question 1
Schrijf de rangtelwoorden in gedachten voluit. Welke uitgang krijgen ze?
Tik op een kaart en daarna op de juiste kolom. Plaats alle kaarten om het bord af te ronden.
Question 1
Schrijf de rangtelwoorden in gedachten voluit. Welke uitgang krijgen ze?
Question 2
Bekijk het getal vóór het woord in op elke kaart. Geeft dat getal in deze datum de dag of de maand aan?
Question 3
Vul in gedachten aan: De afspraak is ... . Sorteer wat je met op of met in aanvult.
Question 4
Zeg het getal tussen haakjes in woorden op de puntjes. Gebruik je een rangtelwoord voor een plaats of een hoofdtelwoord voor een datum?
Practice Rangtelwoorden en datums - Woorden sorteren with this interactive word-sorting exercise of 4 questions. Tap each word into the column it belongs in, then submit to check your answers and get detailed feedback on every set.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Rangtelwoorden en datums - Woorden sorteren in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.