Fill in the blank

Werkwoord en los deel

Kies de vervoegde vorm en het losse deel van het scheidbare werkwoord in elke hoofdzin.

0 / 30 blanks filled0%

Question 1

Ik _____ de tandarts vanmiddag _____. (opbellen)

Options: bel, belt, bellen, aan, op, af

Question 2

Jij _____ morgen om zeven uur _____. (opstaan)

Options: sta, staan, staat, op, aan, mee

Question 3

U _____ uw adres op het formulier _____. (invullen)

Options: vul, vult, vullen, aan, op, in

Question 4

De coach _____ een fles water naar het veld _____. (meenemen)

Options: neemt, neem, nemen, op, mee, af

Question 5

Wij _____ de glazen na de lunch _____. (afwassen)

Options: wast, was, wassen, af, in, mee

Question 6

Ik _____ op werkdagen om zes uur _____. (opstaan)

Options: staat, sta, staan, aan, mee, op

Question 7

De trein _____ volgens het bord om 08.45 uur _____. (aankomen)

Options: komt, kom, komen, op, aan, in

Question 8

Noor _____ haar lunch naar haar werk _____. (meenemen)

Options: neem, nemen, neemt, mee, af, op

Question 9

Sam _____ na het avondeten de vaat _____. (afwassen)

Options: was, wast, wassen, mee, in, af

Question 10

Ik _____ mijn naam bovenaan het formulier _____. (invullen)

Options: vul, vult, vullen, aan, in, op

Question 11

De gasten _____ vanavond rond acht uur _____. (aankomen)

Options: komt, kom, komen, aan, op, in

Question 12

Jullie _____ voor de wandeling warme jassen _____. (meenemen)

Options: neemt, nemen, neem, af, op, mee

Question 13

Het kind _____ na het ontbijt meteen _____. (opstaan)

Options: staat, sta, staan, aan, op, mee

Question 14

De studenten _____ tijdens de les hun antwoordblad _____. (invullen)

Options: vult, vul, vullen, in, aan, op

Question 15

Mijn buren _____ vanmiddag de loodgieter _____. (opbellen)

Options: belt, bellen, bel, aan, af, op

Practice Werkwoord en los deel with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.

Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Werkwoord en los deel in everyday Dutch.

Looking for more practice? See all exercises for this lesson.