Question 1
Dat het Nederlands pluricentrisch is, betekent dat _____.
Options: elk dialect automatisch als standaardtaal geldt, meer dan één land een maatschappelijk gedragen standaardvariëteit heeft, één land de standaardnorm voor alle andere landen bepaalt
Question 2
Een naslagwerk noemt een term standaardtaal in België. Zonder verdere informatie mag een redacteur daaruit concluderen dat de term _____.
Options: in Nederland noodzakelijk onjuist is, uitsluitend in informele Belgische gesprekken past, in België correct en gangbaar is
Question 3
Een taalbeschrijving onderscheidt Belgische standaardtaal, een lokaal dialect en informele omgangstaal. Die indeling is terecht, want _____.
Options: Belgisch Nederlands omvat interne regionale en sociale variatie, de standaardstatus van een vorm volgt uit haar gebruiksfrequentie binnen België, het onderscheid tussen standaardtaal en dialect berust op de mate van zorgvuldigheid van de spreker
Question 4
Een overzicht plaatst toetje bij Nederland en dessert bij België. De juiste toelichting bij deze indeling is: _____.
Options: Dit zijn gebruiksvoorkeuren; dessert komt ook in Nederland voor, Deze indeling geeft aan voor welk land elk woord als standaardtaal erkend is, Deze indeling geeft aan welk van beide woorden bij een formele aanspreekstijl hoort
Question 5
Een cursist leest dat betaalpas vaak in Nederland wordt gebruikt en dat pinpas daar een informele benaming is. Het onderscheid tussen deze twee woorden betreft hier vooral _____.
Options: het land waarvoor de kaart geldig is, het register, de standaardstatus van alle woorden met pas
Question 6
Een corrector vervangt u heeft door u hebt met als enige argument dat u heeft geen standaardtaal is. Dat argument is _____.
Options: juist, omdat u uitsluitend een tweedepersoonsvorm kan krijgen, juist, omdat u heeft alleen in gesproken omgangstaal voorkomt, onjuist, omdat beide vervoegingen standaardtaal zijn
Question 7
Een onderzoeker hoort een constructie dagelijks in een Nederlandse stad. Zonder ander bewijs toont die waarneming _____ aan.
Options: lokaal gebruik, maar niet automatisch standaardstatus, aanvaarding als Nederlandse standaardtaal, met mogelijk regionale verschillen in frequentie, bruikbaarheid in formele stadspublicaties, met mogelijk een andere voorkeur elders
Question 8
Het matras ligt boven. Het is gisteren geleverd; _____ nieuwe matras is voor de logeerkamer en vervangt _____ oude exemplaar.
Options: deze, dit, die, ons, onze, onzen
Question 9
De schrijver kiest in deze passage consequent de deksel: De deksel sluit niet goed; we moeten _____ zware deksel vervangen.
Options: ons, dit, onze
Question 10
Bij het beoordelen van de doek en het doek moet een redacteur eerst _____, omdat het lidwoord hier meer kan aangeven dan een vormvoorkeur.
Options: de bedoelde betekenis vaststellen, alleen het land van de schrijver vaststellen, de minst voorkomende vorm als fout markeren
Question 11
Twee standaardtalige sprekers realiseren de r verschillend. Zonder een transcriptie te maken, schrijft een verslaggever hun woorden _____.
Options: volgens verschillende spellingconventies voor de afzonderlijke r-klanken, volgens de gedeelde spelling, niet volgens hun afzonderlijke r-klanken, volgens de nationale spellingvariant die bij de r-klank van elke spreker hoort
Question 12
De Belgische brochure kiest een formele aanspreekstijl. In een aanvraaginstructie staat: Nadat u _____ gegevens hebt gecontroleerd, kunt _____ de aanvraag versturen.
Options: u, uwe, uw