Question 1
Vergelijk: A. Eva dacht: ‘Vandaag blijf ik thuis.’ B. Eva dacht dat ze die dag thuisbleef. C. Eva voelde opnieuw haar pijnlijke keel. Vandaag bleef ze thuis. Waarom zou ze zich naar kantoor slepen? De versie met onderschikking en een expliciete gedachte-inleiding is _____.
Options: C, B, A
Question 2
Een los tekstfragment luidt: ‘Een week later zou hij terugkeren.’ Over een denkend of waarnemend personage staat verder niets vermeld. Deze zin _____.
Options: is door ‘zou’ noodzakelijk vrije indirecte rede, is door de derde persoon noodzakelijk gewone indirecte rede, is zonder verdere context niet eenduidig als vrije indirecte rede te herkennen
Question 3
De verteller schrijft jaren na de gebeurtenissen. Op 10 oktober zat Vera in de wachtkamer. Vanuit haar bewustzijn volgt: ‘Vandaag kreeg ze eindelijk antwoord. Morgen kon ze verder.’ ‘Morgen’ verwijst naar _____.
Options: 11 oktober, gerekend vanaf Vera’s beleefmoment, de dag na het schrijven van het verhaal, 10 oktober, de dag waarop Vera wacht
Question 4
Op 6 februari las Roos een oude waarschuwing opnieuw. Haar inzicht wordt weergegeven: ‘Nu begreep ze het gevaar.’ Het woord ‘nu’ wijst hier op _____.
Options: het moment waarop de waarschuwing oorspronkelijk werd geschreven, Roos’ moment van begrijpen op 6 februari, het moment waarop de lezer de passage leest
Question 5
Op dinsdag maakte Inez een vast plan voor woensdag. Haar gedachte verschijnt in een verleden-tijdvertelling als: ‘Morgen zou ze de aanvraag indienen.’ ‘Zou indienen’ situeert het indienen _____.
Options: vóór het beleefmoment op dinsdag, gelijktijdig met het maken van het plan, na het beleefmoment op dinsdag
Question 6
De biograaf schrijft: ‘In zijn jeugd kende niemand zijn werk. Hij zou later een belangrijk dichter worden, al kon hij dat toen onmogelijk weten.’ De toekomstvorm geeft hier _____ weer.
Options: vooruitwijzende kennis van de verteller, een toekomstverwachting die het personage toen bewust had, een beleefd verzoek van het personage
Question 7
‘Volgens onbevestigde berichten zou de eigenaar in Spanje wonen.’ In deze zin markeert ‘zou’ vooral _____.
Options: een beleefd verzoek om huisvesting, een niet als vaststaand gepresenteerd bericht, een vast plan om later te verhuizen
Question 8
Liv zag de open kluis. In haar gedachte volgde: ‘Iemand had de munten weggehaald. Hoe was dat mogelijk?’ Het weghalen ligt _____.
Options: na Livs vraag over de kluis, op een nog toekomstige dag, vóór Livs waarneming van de open kluis
Question 9
‘Hij dacht terug aan zijn eerste baan. Hij had er in april een kamer gehuurd. Iedere ochtend fietste hij vervolgens naar de fabriek.’ De onvoltooid verleden tijd ‘fietste’ _____.
Options: beschrijft herhaling binnen het inmiddels gevestigde terugblikkader, maakt de terugblik automatisch grammaticaal onjuist, plaatst het fietsen noodzakelijk op het latere moment van herinneren
Question 10
‘De leraar legde het kompas weg. Hij wist dat een driehoek drie zijden heeft.’ De tegenwoordige tijd ‘heeft’ drukt hier _____ uit.
Options: een noodzakelijke verplaatsing naar het heden van de verteller, algemene geldigheid binnen een verleden verhaal, een gebeurtenis die pas na de les zal plaatsvinden
Question 11
‘Aron las de afwijzing. De volgende woorden geven bewust zijn plotselinge innerlijke formulering weer: Dus zo gaat dat hier!’ De tegenwoordige tijd in die formulering _____.
Options: is in elk verleden verhaal verboden, bewijst dat alle voorafgaande gebeurtenissen nu plaatsvinden, kan door de expliciete lokale verankering innerlijke nabijheid oproepen
Question 12
Op donderdag stond Fien in de werkplaats en dacht: ‘Gisteren heb ik hier mijn tas laten liggen.’ Behoud bij omzetting naar vrije indirecte rede haar tijd- en plaatsoriëntatie, maar gebruik derde persoon en een verleden kader: ‘Gisteren _____ hier haar tas laten liggen.’
Options: had ze, heb ik, heeft ze
Practice Tijd en deixis vanuit het personage with this interactive fill-in-the-blank exercise of 12 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Tijd en deixis vanuit het personage in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.