Question 1
Na het sporten wassen wij _____; ieder wast zichzelf.
Options: ons, elkaar, elkaars
Kies de vorm die terugverwijst naar dezelfde persoon, een wederzijdse handeling of bezit.
Question 1
Na het sporten wassen wij _____; ieder wast zichzelf.
Options: ons, elkaar, elkaars
Question 2
Noor helpt Amir en Amir helpt Noor. Zij helpen _____.
Options: zichzelf, elkaar, elkaars
Question 3
De twee redacteuren lezen _____ teksten voor publicatie.
Options: elkaar, ons, elkaars
Question 4
De twee teams spelen zaterdag tegen _____.
Options: elkaar, elkaars, zich
Question 5
Tijdens het gesprek luisteren de collega's aandachtig naar _____.
Options: zichzelf, elkaar, elkaars
Question 6
Na de cursus houden de deelnemers contact met _____.
Options: zich, elkaars, elkaar
Question 7
Noor wast haar jonge zoon, maar hij kan _____ al zelfstandig aankleden.
Options: zich, hunzelf, onszelf
Question 8
Noor heeft alleen _____ gewassen; haar baby is nog niet aan de beurt.
Options: zich, zichzelf, elkaar
Question 9
Daan vergist _____ in de datum en komt een dag te vroeg.
Options: zichzelf, hem, zich
Question 10
Wij kleden _____ zonder hulp aan; ieder trekt zijn eigen kleren aan.
Options: ons, elkaar, elkaars
Question 11
Wij controleren de gegevens van de ander. Wij controleren _____.
Options: onze eigen gegevens, elkaars gegevens, elkaar gegevens
Question 12
De kinderen geven over en weer een cadeau. Ze geven _____ een cadeau.
Options: zich, elkaars, elkaar
Question 13
Zij _____ voor haar fout en durft niemand aan te kijken.
Options: schaamt zich, schaamt haar broer, schaamt elkaar
Question 14
Na het werk wast hij zijn zoon, maar eerst _____.
Options: wast zich hij, wast hij zich, wassen hij zich
Question 15
Twee vrienden spreken af dat ze _____ altijd zullen helpen.
Options: zich, elkaars, elkaar
Practice Ons, elkaar en elkaars with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Ons, elkaar en elkaars in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.