Question 1
Door een storing heeft de ploeg het werk _____ stilleggen.
Options: gemoeten, moeten, moest
Kies de vorm of betekenis die bij de volledige context past.
Question 1
Door een storing heeft de ploeg het werk _____ stilleggen.
Options: gemoeten, moeten, moest
Question 2
Dankzij een reservefiets heb ik toch op tijd _____ aankomen.
Options: gekund, kon, kunnen
Question 3
Met toestemming van de beheerder hebben we de zaal gratis _____ gebruiken.
Options: mogen, gemogen, mochten
Question 4
Ik heb je gisteren _____ helpen, maar je telefoon stond uit.
Options: gewild, willen, wilde
Question 5
De opdracht was te zwaar. Ik heb het echt niet _____.
Options: kunnen, kon, gekund
Question 6
Een groot feest? Dat heeft mijn vader nooit _____.
Options: gewild, willen, wilde
Question 7
We kwamen laat thuis, omdat we onderweg _____.
Options: hebben gemoeten omrijden, hebben moeten omrijden, hebben moesten omrijden
Question 8
De verhuurder eiste een extra controle. Daarom heeft de monteur de installatie moeten testen. Moeten drukt hier _____ uit.
Options: een vermoeden over een voorbije handeling, toestemming voor een voorbije handeling, een verplichting bij een voorbije handeling
Question 9
Er liggen verse voetsporen in de sneeuw. Er moet vannacht iemand door de tuin gelopen zijn. Moet drukt hier _____ uit.
Options: een gevolgtrekking op basis van sporen, een opgelegde verplichting, een wens van de wandelaar
Question 10
Ik weet niet waarom Noor niet reageert. Ze kan haar telefoon thuis gelaten hebben. Kan betekent hier _____.
Options: dat ze daarvoor toestemming kreeg, dat het misschien is gebeurd, dat ze daartoe verplicht was
Question 11
Het verslag blikt vanuit vrijdag terug op de dagen daarvoor: vóór de bespreking op vrijdag _____ we al twee keer moeten overleggen.
Options: hebben, zijn, hadden
Question 12
Ik kijk nu terug op de afgelopen werkweek, niet vanuit een later moment in het verleden: deze week _____ ik drie keer moeten invallen.
Options: heb, had, ben
Practice Terugblikken: vorm en tijdsperspectief with this interactive fill-in-the-blank exercise of 12 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Terugblikken: vorm en tijdsperspectief in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.