Question 1
Ik probeer _____.
Options: de jas te maken, te de jas maken, de jas maken
Kies de juiste te-infinitief.
Question 1
Ik probeer _____.
Options: de jas te maken, te de jas maken, de jas maken
Question 2
Mila vergeet haar tas _____.
Options: te meenemen, mee te nemen, meenemen
Question 3
De baby begint _____.
Options: huilt, huilen, te huilen
Question 4
De buren besluiten hun huis _____.
Options: te verkopen, ver te kopen, verkopen
Question 5
Amir belooft de keuken _____.
Options: te opruimen, op te ruimen, opruimen
Question 6
Ik hoop de wedstrijd _____.
Options: wint, winnen, te winnen
Question 7
Je hoeft deze dozen niet _____.
Options: te dragen, draagt, dragen
Question 8
U hoeft alleen de rode knop _____.
Options: te indrukken, in te drukken, indrukken
Question 9
Na het eten probeer ik _____.
Options: de tafel te afruimen, te de tafel afruimen, de tafel af te ruimen
Question 10
_____ je de deur te openen?
Options: Probeer, Probeert, Proberen
Question 11
_____ u niet de planten water te geven?
Options: Vergeten, Vergeet, Vergeet u
Question 12
Gisteren _____ Noor het raam te sluiten.
Options: geprobeerd, probeerden, probeerde
Question 13
Ik beloof de boeken zaterdag _____.
Options: terug te brengen, te terugbrengen, terugbrengen
Question 14
De kinderen proberen in de tuin _____.
Options: spelen, te spelen, te speelt
Question 15
Oma zit een tijdschrift _____.
Options: leest, lezen, te lezen
Practice Werkwoorden met te with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Werkwoorden met te in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.