Question 1
Jouw fiets is oud, maar _____ is nieuw.
Options: de mijne, het mijne, mijne, de mijne fiets
Kies de zelfstandige bezitsvorm die bij de eigenaar en het weggelaten woord past.
Question 1
Jouw fiets is oud, maar _____ is nieuw.
Options: de mijne, het mijne, mijne, de mijne fiets
Question 2
Jouw huis is groot; _____ is klein.
Options: de mijne, het mijne, mijne, het mijne huis
Question 3
Mijn jas hangt hier. Waar hangt _____?
Options: het jouwe, jouwe, de jouwe, de jouwe jas
Question 4
Mijn boek ligt links en _____ ligt rechts. Jullie zoeken ook een boek? _____ ligt op tafel.
Options: jouwe, de jouwe, het jouwe boek, het jouwe, Dat van jullie, Die van jullie, Dat jullie, Het jullie
Question 5
U kunt hier een paraplu laten drogen. Mijn paraplu is al droog; _____ is nog nat.
Options: het uwe, de uwe, uwe, de uwe paraplu
Question 6
Wilt u even wachten? Mijn kaartje is al klaar; _____ komt zo.
Options: de uwe, uwe, het uwe, het uwe kaartje
Question 7
Ik heb mijn sleutels al. Heeft Peter _____ ook gevonden?
Options: het zijne, zijne, de zijne sleutels, de zijne
Question 8
Ik draag mijn rode vest. Draagt Mark _____ ook?
Options: het zijne, de zijne, zijne, het zijne vest
Question 9
Mijn tas staat binnen. Sara heeft _____ buiten laten staan.
Options: het hare, de hare, hare, de hare tas
Question 10
Mijn boek is dun. Heeft Anna _____ al uit?
Options: de hare, hare, het hare, het hare boek
Question 11
Hun kamer is boven; _____ is beneden.
Options: het onze, onze, de onze kamer, de onze
Question 12
Hun appartement is oud; _____ is pas gebouwd.
Options: het onze, de onze, onze, het onze appartement
Question 13
De buren komen hun fietsen ophalen. Zijn de groene _____?
Options: dat van hen, die van hen, die hen, de hunne fietsen
Question 14
De buren hebben ook een huis aan zee. Ons huis is klein; _____ is veel groter.
Options: die van hen, dat hen, dat van hen, het hunne huis
Question 15
Mijn schoenen zijn nat; zijn _____ al droog? En van wie is deze jas? — Die is _____.
Options: het jouwe, jouwe, de jouwe schoenen, de jouwe, van mij, van mijn, van mijne, mijne
Practice De mijne en het jouwe with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using De mijne en het jouwe in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.