Question 1
Op maandag zei Lina dat _____.
Options: ze vrijdag zou bellen, ze vrijdag zouden bellen, zou ze vrijdag bellen
Kies de vorm voor een gebeurtenis die vanuit een verleden moment nog later lag.
Question 1
Op maandag zei Lina dat _____.
Options: ze vrijdag zou bellen, ze vrijdag zouden bellen, zou ze vrijdag bellen
Question 2
We dachten dat de winkels die avond open _____.
Options: zou zijn, zouden zijn, zou waren
Question 3
De monteur voorspelde dat _____.
Options: de reparatie twee uur zouden duren, zou de reparatie twee uur duren, de reparatie twee uur zou duren
Question 4
Mila beloofde dat zij ons bij de verhuizing _____.
Options: zou helpen, zouden helpen, zou hielp
Question 5
De spelers beloofden dat ze om zes uur _____.
Options: zou vertrekken, zouden vertrekken, zouden vertrokken
Question 6
Toen wist ik nog niet dat die buurjongen later mijn collega _____.
Options: zouden worden, zou werd, zou worden
Question 7
De veerboot vertrok om acht uur en _____ pas rond middernacht aankomen.
Options: zou, zal, is
Question 8
We hoorden dat de bezorgers de volgende ochtend _____.
Options: zou komen, zouden komen, zouden kwamen
Question 9
Sara verwachtte dat _____.
Options: zou het tijdens de spits druk worden, het tijdens de spits druk zouden worden, het tijdens de spits druk zou worden
Question 10
De arts zei vorige week dat ik de volgende dag weer _____.
Options: zou kunnen werken, zouden kunnen werken, zou kon werken
Question 11
Als ik genoeg geld had, _____ ik een nieuwe fiets kunnen kopen.
Options: zouden, zou, was
Question 12
_____ u deze deur even voor mij willen openen?
Options: Waren, Zouden, Zou
Question 13
De klant zei: "Ik betaal morgen." Later meldden we dat hij de volgende dag _____.
Options: zou betalen, zou betaalt, zouden betalen
Question 14
De kinderen vroegen of hun ouders hen later _____.
Options: zou ophalen, zouden ophalen, zouden haalden
Question 15
Toen wist niemand dat die kleine beslissing jaren later grote gevolgen _____ hebben.
Options: zou, zal, zouden
Practice Later vanuit toen with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Later vanuit toen in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.