De plaats van niet bij werkwoorden en bepalingen
Leer waar niet staat bij werkwoorden, voorwerpen en bepalingen, hoe de positie de betekenis verandert en wanneer je geen gebruikt in plaats van niet.
Eerst bepalen wat je ontkent
Met niet kun je een hele handeling ontkennen, maar ook één eigenschap of bepaling. De plaats van niet laat vaak zien welk deel van de zin je ontkent.
| Wat ontken je? | Voorbeeld | Betekenis |
|---|---|---|
| de hele handeling | Ik werk morgen niet. | Morgen werk ik niet. |
| een eigenschap | De soep is niet warm. | De soep is koud of niet warm genoeg. |
| een manier | Hij rijdt niet voorzichtig. | Zijn manier van rijden is anders. |
| een plaats | We vergaderen niet in Utrecht. | De vergadering is ergens anders. |
Hele handeling: Sara heeft het verslag niet geschreven.
Eén zinsdeel: Sara heeft het verslag niet thuis, maar op kantoor geschreven.
De hele handeling ontkennen
Als je de handeling als geheel ontkent, staat niet meestal vrij laat in het middenstuk. Een bepaald voorwerp met de, het, deze, die of een bezittelijk voornaamwoord staat gewoonlijk vóór niet.
- Ik lees het rapport niet.
- We hebben die brief niet ontvangen.
- Zij kent mijn buurman niet.
- De winkel bezorgt de bestelling vandaag niet.
- Ik heb hem gisteren op kantoor niet gezien.
Bij twee werkwoorden staat niet vóór het werkwoord of de werkwoorden aan het einde.
Ik heb het rapport niet gelezen.
We kunnen vanavond niet komen.
De gemeente zal de straat volgende week niet afsluiten.
Zoek eerst het laatste werkwoord. Ontken je de hele handeling? Zet niet dan meestal vlak vóór dat laatste werkwoord: heeft niet gebeld, kan niet komen, wil niet verhuizen.
Niet staat vóór een ontkende bepaling
Wil je vooral een eigenschap, manier, plaats of tijd ontkennen? Zet niet dan direct vóór dat zinsdeel. Vaak volgt er een tegenstelling met maar.
| Soort informatie | Voorbeeld |
|---|---|
| eigenschap | Het lokaal is niet groot. |
| manier | De chauffeur reed niet langzaam. |
| plaats of richting | Wij gaan niet naar Rotterdam. |
| tijd | Zij werkt niet op maandag, maar op dinsdag. |
| persoon met een voorzetsel | Ik sprak niet met de directeur, maar met zijn assistent. |
De tegenstelling hoeft niet altijd genoemd te worden. Wij gaan niet naar Rotterdam blijft correct als de andere bestemming nog onbekend is.
De positie kan de betekenis veranderen
Vergelijk de plaats van niet in deze zinnen:
Ik werk morgen niet.
De hele handeling van morgen wordt ontkend.
Ik werk niet morgen, maar vrijdag.
Alleen de dag morgen wordt gecorrigeerd.
Hij komt niet vaak.
Hij komt weinig.
Hij komt vaak niet.
Het gebeurt vaak dat hij niet komt.
In gesproken taal hoor je het verschil ook aan de klemtoon. In geschreven taal maken de positie van niet en een toevoeging met maar de bedoelde tegenstelling duidelijk.
Een bepaald voorwerp staat in een neutrale zin vóór niet: Ik ken die man niet. De volgorde Ik ken niet die man, maar zijn broer is alleen natuurlijk als je die man nadrukkelijk tegenover iemand anders zet.
Quick check
Try one question now.
Check your answer when you are ready. No sign-in needed.
Niet bij scheidbare en andere werkwoorden
Ook bij een scheidbaar werkwoord staat niet vóór het afgescheiden deel aan het einde.
- Hij belt mij vanavond niet op.
- Wij vullen het formulier niet in.
- De trein komt vandaag niet aan.
Met een voltooid deelwoord, een infinitief of meerdere werkwoorden blijft hetzelfde patroon zichtbaar.
| Werkwoordsvorm | Voorbeeld |
|---|---|
| voltooid deelwoord | Zij heeft de afspraak niet vergeten. |
| infinitief met te | Hij probeert de fout niet te herhalen. |
| modaal werkwoord | Hij mag de deur niet openen. |
In elk voorbeeld staat niet vóór het werkwoordelijke deel aan het einde. Andere zinsdelen, zoals de afspraak en de fout, staan ervoor.
Niet in een bijzin en met er
In een bijzin staat niet vóór de werkwoordelijke eindgroep: Ik weet dat hij het rapport niet heeft gelezen. Ook zeg je: Omdat wij vanavond niet kunnen komen, bellen we morgen.
Bij er en een voornaamwoordelijk bijwoord staat niet erna: Ik denk er niet aan. / Wij hebben er niet over gesproken.
Niet of geen?
Gebruik meestal geen bij een onbepaald zelfstandig naamwoord. Gebruik niet bij een bepaald zelfstandig naamwoord, een werkwoord, een eigenschap of een bepaling.
| Gebruik geen | Gebruik niet |
|---|---|
| Ik heb geen fiets. | Mijn fiets is niet nieuw. |
| Zij drinkt geen koffie. | Zij drinkt de koffie niet. |
| We hebben geen afspraak. | We vergeten de afspraak niet. |
Zeg niet Ik heb niet een fiets als je gewoon bedoelt dat je geen fiets bezit. Gebruik dan Ik heb geen fiets. Niet één fiets, maar twee is wel mogelijk, omdat één daar nadruk en contrast krijgt.
Praktische samenvatting
Kies de plaats van niet in drie stappen:
- Bepaal of je de hele handeling of één zinsdeel ontkent.
- Zet niet vóór de eigenschap of bepaling die je specifiek ontkent.
- Ontken je de hele handeling, zet niet dan meestal laat in het middenstuk en vóór het laatste werkwoord.
Onthoud ook: een bepaald voorwerp staat meestal vóór niet, terwijl een onbepaald zelfstandig naamwoord vaak met geen wordt ontkend. Door niet te verplaatsen, kun je een ander deel van de boodschap benadrukken.
You reached the end
You reached the endNow make it stick.
Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.
Was this lesson helpful?
Vocabulary in this lesson
19 words, ready to study.
Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.
Save any of these 19 words and review them later.
Ontkennen bij werkwoorden en bepalingen
19 wordsLast updated October 11, 2026