De stam van een werkwoord vinden
Leer de stam van een Nederlands werkwoord vinden door -en weg te halen en pas klinkers, dubbele medeklinkers en de letters v en z correct aan.
De stam is de basisvorm waarmee je een regelmatig werkwoord vervoegt. De stam is meestal gelijk aan de ik-vorm in de tegenwoordige tijd: ik werk, ik woon, ik reis.
Na deze les kun je:
- de stam van veel regelmatige werkwoorden vinden;
- de spelling aanpassen terwijl de klank gelijk blijft;
- de stam gebruiken als de ik-vorm.
Begin met het hele werkwoord
Het hele werkwoord, ook wel de infinitief, staat bijvoorbeeld na willen: Ik wil werken. Veel regelmatige hele werkwoorden eindigen op -en.
Voor een eenvoudige stam volg je deze stappen:
- Neem het hele werkwoord, bijvoorbeeld werken.
- Haal -en weg: werk.
- Controleer de Nederlandse spelling.
- Gebruik de stam bij ik: ik werk.
| Heel werkwoord | Zonder -en | Stam | Ik-vorm |
|---|---|---|---|
| werken | werk | werk | ik werk |
| fietsen | fiets | fiets | ik fiets |
| vinden | vind | vind | ik vind |
| rijden | rijd | rijd | ik rijd |
| worden | word | word | ik word |
| wandelen | wandel | wandel | ik wandel |
| veranderen | verander | verander | ik verander |
| openen | open | open | ik open |
Bij wandelen, veranderen en openen haal je alleen de laatste -en weg. De e in wandel, verander en open blijft staan: wandelen → wandel, niet wandl.
Zeg na elke stam meteen ik + stam. Zo controleer je of de vorm bekend klinkt: ik werk, ik fiets, ik vind.
Houd een lange klinker lang
Soms heeft het hele werkwoord één klinker in een open lettergreep: ma-ken, wo-nen, lo-pen. Na het verwijderen van -en eindigt de stam op een medeklinker. Je schrijft dan twee klinkers om de lange klank te houden.
| Heel werkwoord | Eerste resultaat | Juiste stam |
|---|---|---|
| maken | mak | maak |
| wonen | won | woon |
| lopen | lop | loop |
| huren | hur | huur |
- Ik maak het ontbijt.
- Ik woon in een appartement.
- Ik loop naar het station.
- Ik huur een kamer.
Kijk niet alleen naar de letters; houd ook de klinkerklank gelijk.
✓ wonen → ik woon
✗ wonen → ik won
Schrijf één eindmedeklinker
Na het verwijderen van -en blijven er soms twee dezelfde medeklinkers over. Aan het einde van de stam schrijf je er één.
| Heel werkwoord | Eerste resultaat | Juiste stam |
|---|---|---|
| pakken | pakk | pak |
| bellen | bell | bel |
| zetten | zett | zet |
| missen | miss | mis |
De korte klinker blijft kort, omdat de lettergreep eindigt op een medeklinker: pak, bel, zet, mis. Eén medeklinker is genoeg om de lettergreep te sluiten: schrijf pak, niet pakk.
Verander v in f en z in s
Bij gewone Nederlandse woordstammen schrijf je aan het einde meestal geen v of z. Komt een van deze letters aan het einde van het eerste resultaat? Verander dan v in f en z in s. Controleer ook de klinker.
| Heel werkwoord | Eerste resultaat | Juiste stam |
|---|---|---|
| leven | lev | leef |
| geven | gev | geef |
| reizen | reiz | reis |
| kiezen | kiez | kies |
Bij leven → lev → leef pas je twee dingen aan: je verandert v in f én schrijft ee om de lange e-klank te houden. Hetzelfde gebeurt bij geven → gev → geef. Bij reizen en kiezen verander je alleen z in s; ei en ie blijven staan.
- Ik leef in Nederland.
- Ik geef mijn vriend een boek.
- Ik reis met de trein.
- Ik kies de blauwe jas.
Quick check
Try one question now.
Check your answer when you are ready. No sign-in needed.
Gebruik de stam
Bij een regelmatig werkwoord gebruik je de stam direct bij ik. Bij jij, hij en zij komt meestal een t achter de stam. Eindigt de stam al op -t, dan komt er geen tweede t.
| Onderwerp | Voorbeeld met werken | Voorbeeld met reizen | Voorbeeld met zetten |
|---|---|---|---|
| ik | ik werk | ik reis | ik zet |
| jij, hij, zij | jij werkt | zij reist | hij zet |
Bij jij, hij en zij schrijf je dus een t na de stam, behalve als de stam al op -t eindigt: hij zet, jij praat, zij zit.
Eindigt de stam op -d? Laat de d staan en voeg bij jij, hij en zij een t toe: ik vind → jij vindt, ik rijd → hij rijdt, ik word → zij wordt.
Staat jij achter het werkwoord? Dan gebruik je de stam zonder extra t. Dat zie je bijvoorbeeld in vragen:
| Jij voor het werkwoord | Jij achter het werkwoord |
|---|---|
| Jij werkt. | Werk jij? |
| Jij reist mee. | Reis jij mee? |
| Jij zet de stoel klaar. | Zet jij de stoel klaar? |
De t van de stam zet blijft dus staan.
Sommige veelvoorkomende werkwoorden zijn onregelmatig. De vormen van zijn, hebben, gaan en doen leer je apart. Gebruik de stappen op deze pagina vooral bij regelmatige werkwoorden.
Een praktische controle
Controleer een nieuwe stam met drie vragen:
- Heb ik -en weggehaald?
- Moet een lange klinker dubbel worden geschreven?
- Moet ik een dubbele medeklinker verkorten of v/z veranderen in f/s?
reizen → verwijder -en → reiz → verander z in s → reis → ik reis.
bellen → verwijder -en → bell → schrijf één l → bel → ik bel.
Kort samengevat
- De stam van een regelmatig werkwoord is meestal de ik-vorm.
- Haal eerst -en van het hele werkwoord.
- Houd een lange klinker lang: maken → maak.
- Schrijf één eindmedeklinker: pakken → pak.
- Verander een laatste v in f en een laatste z in s.
You reached the end
You reached the endNow make it stick.
Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.
Was this lesson helpful?
Vocabulary in this lesson
8 words, ready to study.
Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.
Save any of these 8 words and review them later.
Regelmatige werkwoorden en hun stam
8 wordsLast updated October 11, 2026