A2 · ElementaryLesson 2 of 2

Elkaar als wederkerig voornaamwoord

Leer elkaar gebruiken voor wederzijdse handelingen, onderscheid elkaar van zich en samen en maak natuurlijke zinnen met vaste voorzetsels in context.

By the flumi team About 4 min read 17 vocabulary wordsGrammar learning path: Jezelf en elkaar

Een handeling in twee richtingen

Met elkaar zeg je dat twee of meer personen dezelfde handeling bij de ander doen. De handeling is wederzijds: van A naar B én van B naar A.

Lina belt Omar en Omar belt Lina. → Lina en Omar bellen elkaar.

De buren helpen ons en wij helpen de buren. → We helpen elkaar.

Het onderwerp is daarom altijd meervoud of bestaat uit meerdere personen: wij, jullie, zij, Lina en Omar of de twee teams.

Elkaar verandert niet

Elkaar heeft één vaste vorm. Het verandert niet bij een ander onderwerp of bij een andere tijd.

Onderwerp en tijd Voorbeeld
wij, tegenwoordige tijd We kennen elkaar goed.
jullie, tegenwoordige tijd Jullie bellen elkaar vaak.
zij, verleden tijd Ze zagen elkaar gisteren.
twee namen, voltooide tijd Noor en Sem hebben elkaar geholpen.

Meestal staat elkaar na de persoonsvorm: We zien elkaar morgen. Bij een voltooide tijd staat het vóór het voltooid deelwoord: We hebben elkaar gisteren gezien.

Elkaar of zich?

Zich verwijst terug naar iedere persoon apart. Elkaar laat zien dat de personen iets bij de ander doen.

Zin Betekenis
Noor en Sem wassen zich. Noor wast Noor; Sem wast Sem.
Noor en Sem wassen elkaar. Noor wast Sem; Sem wast Noor.
De spelers zien zichzelf op de foto. Iedere speler ziet zijn eigen beeld.
De spelers zien elkaar op het veld. Iedere speler ziet de andere spelers.

Gebruik elkaar niet wanneer iedereen de handeling alleen bij zichzelf doet. Zeg De kinderen kleden zich aan, niet De kinderen kleden elkaar aan, tenzij ze de kleren echt bij de ander aantrekken.

Elkaar of samen?

Samen zegt dat mensen iets in dezelfde groep of op hetzelfde moment doen. Elkaar is een voorwerp: de handeling is op de andere persoon gericht.

  • We lopen samen naar het station. Iedereen loopt; niemand is het voorwerp.
  • We wachten samen op de trein. We doen dezelfde activiteit.
  • We groeten elkaar op het station. Iedere persoon groet de ander.
  • We kunnen elkaar helpen. Iedere persoon kan hulp geven én krijgen.

Soms staan beide woorden in één zin: We werken samen en geven elkaar advies.

Kun je de zin uitbreiden met de ander? Dan is elkaar vaak goed: We vertrouwen de ander → We vertrouwen elkaar.

Quick check

Try one question now.

1
Lina belt Omar en Omar belt Lina. Ze bellen .

Check your answer when you are ready. No sign-in needed.

Elkaar na een voorzetsel

Veel vaste combinaties bestaan uit een voorzetsel plus elkaar.

Combinatie Voorbeeld
met elkaar De collega's praten met elkaar.
naar elkaar De kinderen kijken naar elkaar.
op elkaar De vrienden wachten op elkaar.
voor elkaar Wij zorgen voor elkaar.
naast elkaar De stoelen staan naast elkaar.
aan elkaar Ze geven het nieuws aan elkaar door.

Het voorzetsel hoort bij het werkwoord of bij de plaats die je beschrijft. Leer daarom de hele combinatie, bijvoorbeeld praten met elkaar en wachten op elkaar.

Elkaars voor bezit

Met elkaars druk je wederzijds bezit of een wederzijdse relatie uit. Na elkaars komt een zelfstandig naamwoord.

We kennen elkaars naam.

De studenten lezen elkaars tekst.

De vrienden lenen elkaars fiets.

Bij meer dan twee personen kan elkaars nog steeds: De teamleden controleren elkaars werk.

Kort samengevat

  • Elkaar betekent dat twee of meer personen iets bij de ander doen.
  • De vorm elkaar verandert nooit.
  • Kies zich voor een handeling bij jezelf en elkaar voor een handeling bij de ander.
  • Samen beschrijft een gezamenlijke activiteit; elkaar is het wederzijdse voorwerp.
  • Na een voorzetsel krijg je combinaties als met elkaar, voor elkaar en op elkaar.
  • Gebruik elkaars vóór een zelfstandig naamwoord om wederzijds bezit uit te drukken.

You reached the end

You reached the end

Now make it stick.

Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.

Practice exercises

Was this lesson helpful?

Vocabulary in this lesson

17 words, ready to study.

Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.

Save any of these 17 words and review them later.

Werkwoorden voor wederzijdse handelingen

17 words

Last updated October 11, 2026