All paths

Grammar learning path · A1 Beginner

Bezit, aanwijzen en iets introduceren.

Je kunt personen en dingen preciezer benoemen door bezit of afstand aan te geven. Als iets nog nieuw is in het gesprek, gebruik je er is of er zijn om het op een natuurlijke manier te introduceren.

3 lessons10 exercisesIn order, or à la carte
Start path — Lesson 1

First lesson · Bezittelijke voornaamwoorden bij een naamwoord

What you'll learn.

  • Bezittelijke voornaamwoorden vóór een naamwoord gebruiken.
  • Deze, die, dit en dat bij de juiste naamwoordsoort kiezen.
  • Nieuwe informatie met er is en er zijn introduceren.

Before you start.

  • Je kent veelgebruikte persoonlijke voornaamwoorden.
  • Je kent bij gewone woorden het lidwoord de of het.

Lessons in this path.

Take them in order
  1. 1
    Lesson 1
    Bezittelijke voornaamwoorden bij een naamwoord

    Zet mijn, jouw, zijn, haar, ons, onze, jullie, hun of uw direct voor het juiste naamwoord.

  2. 2
  3. 3
    Lesson 3

Ready?

Bezittelijke voornaamwoorden bij een naamwoord.

Begin with the first lesson and work through the practice at your own pace.