Indirecte rede met dat en of
Leer uitspraken en vragen in indirecte rede weergeven met dat, of en vraagwoorden, met passende voornaamwoorden, tijdsaanduidingen en werkwoordstijden.
In de directe rede geef je iemands precieze woorden weer: Noor zegt: “Ik kom morgen.” In de indirecte rede verwerk je de boodschap in je eigen zin: Noor zegt dat ze morgen komt.
Na deze les kun je:
- een mededeling weergeven met dat;
- een ja-neevraag weergeven met of;
- een vraagwoord behouden in een indirecte vraag;
- voornaamwoorden, tijdsaanduidingen en werkwoordstijden aan het nieuwe perspectief aanpassen.
Mededelingen met dat
Na werkwoorden als zeggen, vertellen, uitleggen, denken, vinden en melden leidt dat vaak de weergegeven inhoud in.
- Amir zegt: “Ik werk thuis.” → Amir zegt dat hij thuis werkt.
- De arts vertelt: “De uitslag is goed.” → De arts vertelt dat de uitslag goed is.
- Noor dacht: “Dit plan kost te veel.” → Noor dacht dat het plan te veel kostte.
Na dat staat een bijzin. Het onderwerp komt voor de werkwoordgroep en de persoonsvorm staat achteraan.
Zoek eerst de kernboodschap. Maak daarvan een dat-bijzin en pas daarna de verwijzingen aan.
Ja-neevragen met of
Een directe vraag waarop ja of nee mogelijk is, wordt een bijzin met of.
- “Kom je morgen?” → Zij vraagt of ik morgen kom.
- “Heeft de klant betaald?” → Hij wil weten of de klant heeft betaald.
- “Is de deur gesloten?” → De beheerder controleert of de deur gesloten is.
In de indirecte vraag verdwijnt de directe vraagvolgorde. Vergelijk:
| Directe vraag | Indirecte vraag |
|---|---|
| Komt Amir later? | Weet je of Amir later komt? |
| Heeft Noor gebeld? | Ik vraag of Noor heeft gebeld. |
De hele zin krijgt alleen een vraagteken als de hoofdzin zelf een vraag is: Weet je of Amir later komt? Maar: Ik vraag of Amir later komt.
Open vragen behouden hun vraagwoord
Begint de directe vraag met wie, wat, waar, wanneer, waarom of hoe? Dan wordt dat vraagwoord de verbinding.
- “Waar woont u?” → Zij vraagt waar ik woon.
- “Wanneer begint de cursus?” → Hij wil weten wanneer de cursus begint.
- “Waarom is de trein uitgevallen?” → We weten niet waarom de trein is uitgevallen.
- “Wie heeft dit geschreven?” → De docent vraagt wie dit heeft geschreven.
Voeg geen extra of toe: waar de cursus is, niet of waar de cursus is.
Voornaamwoorden verschuiven met het perspectief
De spreker in het oorspronkelijke citaat is niet altijd de verteller van de nieuwe zin.
- Sara zegt tegen mij: “Ik bel jou.” → Sara zegt dat zij mij belt.
- Ik zeg tegen Amir: “Jij krijgt mijn sleutel.” → Ik zeg dat hij mijn sleutel krijgt.
- De buren zeggen: “Wij verkopen ons huis.” → De buren zeggen dat zij hun huis verkopen.
Gebruik namen wanneer een voornaamwoord dubbelzinnig wordt: Noor vertelde Sara dat Noor later zou bellen kan duidelijker zijn dan een onzekere ze.
Vervang voornaamwoorden niet mechanisch. Bepaal bij elk woord wie spreekt, wie luistert en naar wie of wat het verwijst.
Tijd en plaats aanpassen
Relatieve woorden hangen af van het spreekmoment en de spreekplaats. Als die veranderen, pas je de woorden aan.
| Direct | Later of vanuit een ander punt |
|---|---|
| vandaag | die dag |
| gisteren | de dag ervoor |
| morgen | de volgende dag |
| hier | daar / op die plek |
| volgende week | de week erna |
- Maandag zei hij: “Ik kom morgen hier.”
- Later vertel je: Hij zei dat hij de volgende dag daar zou komen.
Als het oorspronkelijke woord nog steeds klopt op het moment van navertellen, hoeft het niet te veranderen: vanmorgen zei Noor Ik kom vanavond, en vanmiddag kun je zeggen: Noor zei dat ze vanavond komt.
Quick check
Try one question now.
Lina zegt
Check your answer when you are ready. No sign-in needed.
Werkwoordstijd: geen automatische terugschuiving
Het Nederlands verplicht niet na elk verleden in de hoofdzin een vaste “backshift”. Kies de tijd op basis van betekenis en perspectief.
- Zij zei dat de winkel dicht was: de toestand hoort bij dat verleden moment.
- Zij zei dat de winkel op zondag dicht is: de regel geldt nog steeds.
- Zij zei dat ze de volgende dag zou komen: toekomst vanuit het verleden.
- Zij zei dat ze gisteren is gekomen: de spreker presenteert het als een afgerond feit vanuit nu.
Houd de tijdlijn consistent, maar verander een nog geldige waarheid niet onnodig in een afgesloten verleden.
Zeggen, vragen en vertellen
Kies een werkwoord dat bij de communicatieve handeling past.
- zeggen dat: een uitspraak weergeven;
- vertellen dat: informatie of een verhaal delen;
- vragen of/waarom/wanneer: een vraag weergeven;
- willen weten of: informatie zoeken;
- antwoorden dat: een antwoord rapporteren;
- waarschuwen dat: een risico of gevaar doorgeven.
Let op de aanvulling bij personen: Zij zegt tegen mij dat ... maar Zij vertelt mij dat ....
Direct: De reiziger vraagt: “Waarom rijdt de trein niet en komt er een bus?”
Indirect: De reiziger vraagt waarom de trein niet rijdt en of er een bus komt.
De open waarom-vraag behoudt waarom; de ja-neevraag krijgt of.
Directe en indirecte rede stilistisch kiezen
Directe rede brengt de stem van de spreker dichtbij en bewaart de exacte formulering. Indirecte rede vat informatie samen en past gemakkelijker in een verslag.
- direct: De bewoner zei: “Ik voel me niet gehoord.”
- indirect: De bewoner zei dat hij zich niet gehoord voelde.
Zet geen aanhalingstekens om een indirecte bijzin. Claim ook geen letterlijk citaat als je de woorden samenvat.
Controle in vijf stappen
- Is de bron een mededeling, ja-neevraag of open vraag?
- Kies dat, of of het oorspronkelijke vraagwoord.
- Zet de werkwoordgroep achteraan.
- Pas personen, tijd en plaats aan het nieuwe perspectief aan.
- Kies een werkwoordstijd die de bedoelde tijdlijn weergeeft.
Een goede indirecte weergave bewaart de inhoud, maar maakt helder wie de boodschap nu vertelt en vanuit welk moment.
You reached the end
You reached the endNow make it stick.
Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.
Was this lesson helpful?
Vocabulary in this lesson
18 words, ready to study.
Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.
Save any of these 18 words and review them later.
Werkwoorden voor indirecte rede
18 wordsLast updated October 11, 2026