B1 · IntermediateLesson 1 of 4

Betrekkelijke bijzinnen met die en dat

Leer betrekkelijke bijzinnen met die en dat maken, kies op basis van de- en het-woorden en plaats de werkwoorden correct aan het einde van de bijzin.

By the flumi team About 7 min read 16 vocabulary wordsGrammar learning path: Precies verwijzen in betrekkelijke bijzinnen

Informatie aan een zelfstandig naamwoord toevoegen

Een betrekkelijke bijzin geeft meer informatie over een persoon, dier of zaak in de hoofdzin. De bijzin staat direct na het zelfstandig naamwoord waarover hij iets vertelt. Dat woord heet het antecedent.

Twee zinnen: De buurvrouw woont boven ons. De buurvrouw werkt in het ziekenhuis.

Eén zin: De buurvrouw die boven ons woont, werkt in het ziekenhuis.

Met die of dat hoef je het zelfstandig naamwoord niet te herhalen. Het betrekkelijk voornaamwoord verbindt de informatie tot één zin.

Na deze les kun je:

  • die of dat kiezen bij een de-woord, een het-woord of een meervoud;
  • de woordvolgorde in een betrekkelijke bijzin gebruiken;
  • herkennen wanneer wat, wie of waarmee nodig is.

Die of dat kiezen

De keuze hangt af van het antecedent. Kijk naar het lidwoord van het zelfstandig naamwoord en naar enkelvoud of meervoud.

Antecedent Betrekkelijk voornaamwoord Voorbeeld
een enkelvoudig de-woord die de fiets die buiten staat
een enkelvoudig het-woord dat het raam dat openstaat
een meervoud die de ramen die openstaan

Het onbepaalde lidwoord een vertelt niet of een woord een de-woord of een het-woord is. Denk daarom aan de bepaalde vorm:

  • een tafel → de tafel → een tafel die inklapbaar is;
  • een huis → het huis → een huis dat te koop staat;
  • een meisje → het meisje → een meisje dat hier woont;
  • kinderen → de kinderen → kinderen die buiten spelen.

Twijfel je tussen die en dat? Zet tijdelijk de of het vóór het zelfstandig naamwoord. Kies daarna de → die en het → dat. Bij een meervoud kies je altijd die.

De functie van die en dat in de bijzin

Die en dat verwijzen niet alleen naar het antecedent; ze hebben ook een functie in de bijzin. Ze kunnen bijvoorbeeld het onderwerp of het lijdend voorwerp zijn. De vorm verandert daardoor niet.

Functie Voorbeeld Uitleg
onderwerp de kok die de soep maakt De kok maakt de soep.
lijdend voorwerp de kok die wij bedanken Wij bedanken de kok.
onderwerp het apparaat dat veel energie gebruikt Het apparaat gebruikt energie.
lijdend voorwerp het apparaat dat ik gisteren kocht Ik kocht het apparaat.

Wanneer die of dat het onderwerp is, volgt er dus niet nog een persoonlijk voornaamwoord met dezelfde functie.

Zeg niet: De kok die hij de soep maakt. Die is hier al het onderwerp. Goed is: De kok die de soep maakt.

Wat gebruiken in plaats van die of dat

Wat is wel correct, maar niet na een gewoon zelfstandig naamwoord zoals het boek. Gebruik wat na woorden als alles, iets, niets, het enige en het mooiste. Het kan ook terugwijzen naar een hele zin.

  • Alles wat ik weet, vertel ik je.
  • Iets wat mij opviel, was de stilte.
  • Er is niets wat helpt.
  • Het enige wat telt, is de uitslag.
  • Het mooiste wat ik zag, was de kust.
  • Hij kwam te laat, wat vervelend was.

In de laatste zin geeft wat extra informatie over de hele vorige zin.

De woordvolgorde in de betrekkelijke bijzin

Een betrekkelijke bijzin heeft de woordvolgorde van een gewone bijzin. De persoonsvorm of het werkwoordcluster staat meestal aan het einde. Als die of dat zelf het onderwerp is en er geen andere woorden in de bijzin staan, volgt de persoonsvorm direct: de lamp die brandt. Het gaat dus niet om een korte bijzin, maar om de functie van die of dat.

Hoofdzin: De manager bespreekt morgen het plan.

Betrekkelijke bijzin: het plan dat de manager morgen bespreekt

Hoofdzin met meerdere werkwoorden: Sara zal het verslag morgen sturen.

Betrekkelijke bijzin: het verslag dat Sara morgen zal sturen

Let vooral op deze volgorde:

  1. zet die of dat direct na het antecedent;
  2. plaats daarna het onderwerp als die of dat niet zelf het onderwerp is;
  3. zet andere informatie in het midden;
  4. plaats het werkwoord of werkwoordcluster aan het einde.

Quick check

Try one question now.

1
De sleutel op de balie ligt, is van kamer twaalf.

Check your answer when you are ready. No sign-in needed.

Met een voorzetsel

Na een voorzetsel gebruik je niet met die of met dat. Bij personen zeg je wie, bij dingen vaak waar + voorzetsel.

  • de collega met wie ik werk
  • het systeem waarmee ik werk

Dit wordt verder uitgelegd in de les over waar + voorzetsel.

Noodzakelijke en extra informatie

Soms bepaalt de bijzin precies wie of wat je bedoelt. Dan is de informatie beperkend en staat er geen komma vóór die of dat. Loopt de hoofdzin na de bijzin door, dan sluit je de bijzin wel met een komma af.

  • De studenten die het examen hebben gehaald, krijgen een certificaat. Alleen deze studenten krijgen het.
  • Ik zoek het boek dat je gisteren noemde. De bijzin zegt welk boek ik zoek.

Een uitbreidende bijzin geeft alleen extra informatie. Je zet hem tussen komma's als hij midden in de zin staat.

  • Mijn broer, die in Groningen woont, komt dit weekend langs.
  • Deze laptop, die al tien jaar oud is, werkt nog steeds.

De komma vóór de bijzin hangt af van de betekenis. Vergelijk de collega's die thuiswerken — alleen die groep — met mijn collega's, die allemaal thuiswerken, zijn vandaag online — extra informatie over alle collega's.

Veelvoorkomende vergissingen

Let op deze contrasten:

  • het kind dat hier speelt, niet het kind die; kind is een het-woord;
  • de kinderen die hier spelen, want een meervoud krijgt die;
  • een boek dat ik aanraad, want het is het boek;
  • de vrouw die ik gisteren sprak, zonder extra haar;
  • het bericht dat zij heeft gestuurd, met het werkwoordcluster aan het einde.

In de spreektaal hoor je soms het boek wat of het meisje die. Voor helder, verzorgd Nederlands gebruik je bij een concreet enkelvoudig het-woord dat.

Kort samengevat

  • Een betrekkelijke bijzin geeft informatie over een antecedent.
  • Gebruik die bij enkelvoudige de-woorden en bij alle meervouden.
  • Gebruik dat bij enkelvoudige het-woorden, ook bij het kind en het meisje.
  • Zet het werkwoord of werkwoordcluster aan het einde van de bijzin.
  • Herhaal geen onderwerp of lijdend voorwerp dat al door die of dat wordt vertegenwoordigd.
  • Zet bij een beperkende bijzin geen komma vóór die of dat; volgt de hoofdzin daarna nog, dan komt er wel een komma na de bijzin.

You reached the end

You reached the end

Now make it stick.

Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.

Practice exercises

Was this lesson helpful?

Vocabulary in this lesson

16 words, ready to study.

Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.

Save any of these 16 words and review them later.

De- en het-woorden verbinden met die en dat

16 words

Last updated October 11, 2026