A1 · BeginnerLesson 3 of 3

Veelgebruikte onregelmatige werkwoorden

Leer veelgebruikte Nederlandse werkwoorden zoals gaan, komen, doen, zien, staan, eten en lezen correct vervoegen en gebruiken in de tegenwoordige tijd.

By the flumi team About 7 min read 11 vocabulary wordsGrammar learning path: Zijn, hebben en frequente werkwoorden

Sommige veelgebruikte werkwoorden hebben een bijzondere stam of een bijzondere vorm. Je komt ze elke dag tegen, dus het is handig om ze als een klein rijtje te leren. In deze les oefen je onregelmatige vormen in de tegenwoordige tijd, zoals ben, is en heeft. Je leert ook werkwoorden die in deze tijd regelmatig zijn, maar waarbij je op de spelling moet letten, zoals nemen, geven, lezen en eten.

Na deze les kun je:

  • zijn en hebben kort herhalen;
  • kunnen, willen, mogen en zullen vervoegen;
  • gaan, staan, doen en zien vervoegen;
  • veelgebruikte vormen als komt, neemt, geeft, eet en leest gebruiken.

Zijn en hebben

Zijn en hebben zijn heel onregelmatig. De vormen lijken niet allemaal op de hele werkwoorden.

Onderwerp zijn hebben
ik ik ben ik heb
jij / je jij bent jij hebt
u u bent u hebt / u heeft
hij / zij / het hij is hij heeft
wij / jullie / zij wij zijn wij hebben

Ik ben thuis.

De buurvrouw is op het werk.

Noor heeft een afspraak.

Wij hebben vandaag les.

Bij u zijn u hebt en u heeft allebei correct. U heeft hoor je in Nederland vaak.

Kunnen, willen, mogen en zullen

Ook deze werkwoorden hebben bijzondere vormen. Leer vooral ik kan, ik wil, ik mag, ik zal. Bij hij, zij en het gebruik je dezelfde vormen, zonder -t.

Onderwerp kunnen willen mogen zullen
ik kan wil mag zal
jij / je kunt / kan wilt / wil mag zult / zal
u kunt / kan wilt / wil mag zult / zal
hij / zij / het kan wil mag zal
wij / jullie / zij kunnen willen mogen zullen

Vaak staat er nog een werkwoord aan het einde van de zin. Dat werkwoord blijft heel.

Ik kan zwemmen.

Hij wil naar huis gaan.

Je mag hier zitten.

Zullen we samen eten?

Gaan, staan, doen en zien

De stam van deze werkwoorden is kort en eindigt op een klinker. Bij gaan en staan haal je -en weg: ga, sta. Bij doen en zien valt alleen de -n weg: doe, zie.

Onderwerp gaan staan doen zien
ik ga sta doe zie
jij / je gaat staat doet ziet
u gaat staat doet ziet
hij / zij / het gaat staat doet ziet
wij / jullie / zij gaan staan doen zien
  • Ik ga naar de markt.
  • Zij staat bij het station.
  • Hij doet de afwas.
  • De reiziger ziet de bus.

Leer de vier korte ik-vormen samen: ik ga, ik sta, ik doe, ik zie. Voeg bij jij, u en hij meestal -t toe.

Komen en de spelling van de lange klinker

Bij komen is de stam kom. Kom heeft een korte o; onthoud die vorm apart. Bij andere woorden verandert de schrijfwijze als je -en weghaalt.

Infinitief Met ik Met jij / hij Met wij
komen ik kom hij komt wij komen
nemen ik neem zij neemt wij nemen
geven ik geef hij geeft wij geven
lezen ik lees zij leest wij lezen
eten ik eet hij eet wij eten

De lange klinker blijft lang in neem, geef, lees en eet. Daarom zie je in de ik-vorm twee klinkerletters. Nemen, geven, lezen en eten zijn in de tegenwoordige tijd dus regelmatig volgens deze spellingregel.

Bij eten eindigt de stam eet al op t. Je schrijft daarom ook hij eet, zonder een tweede t.

Quick check

Try one question now.

1
Ik vandaag vroeg in de winkel.

Check your answer when you are ready. No sign-in needed.

De vorm in een gewone zin

Begint een eenvoudige mededeling met het onderwerp? Dan staat de persoonsvorm direct na het onderwerp.

De trein komt om acht uur.

Ik neem de fiets naar het werk.

De docent geeft het boek aan Amir.

Mijn dochter leest de krant.

Het kind eet een appel.

Begint de mededeling met een tijd, zoals morgen of om acht uur? Dan staat de persoonsvorm direct na die tijd en komt het onderwerp daarna. Dat heet inversie.

Morgen ga ik naar de markt.

Om acht uur komt de trein.

Bij wij, jullie en zij gebruik je in de tegenwoordige tijd altijd het hele werkwoord: wij komen, jullie lezen, zij eten.

Vragen met jij en je

Staat jij of je na het werkwoord? Gebruik dan de ik-vorm, zonder een extra -t.

Gewone zin Vraag
Jij bent thuis. Ben jij thuis?
Je hebt tijd. Heb je tijd?
Jij gaat met de trein. Ga jij met de trein?
Je doet de afwas. Doe je de afwas?
Jij ziet het bord. Zie jij het bord?
Je leest de brief. Lees je de brief?

Deze regel geldt alleen bij jij/je na het werkwoord. Heeft de vorm met u of hij een -t? Dan blijft die staan: Gaat u mee? en Gaat hij mee?

Gebruik niet het hele werkwoord na ik, jij of hij.

✓ Ik ga naar huis.

✗ Ik gaan naar huis.

Zo leer je de vormen

  1. Leer eerst de ik-vorm: ga, sta, doe, zie, kom.
  2. Leer daarna de vorm met hij: gaat, staat, doet, ziet, komt.
  3. Onthoud dat de meervoudsvorm gelijk is aan het hele werkwoord.
  4. Maak met elke vorm één korte zin uit je eigen leven.
Soort Voorbeelden
sterk onregelmatig ben, is, zijn; heb, heeft, hebben
korte bijzondere stam ga, sta, doe, zie, kom
lange klinker in de stam neem, geef, lees, eet

Herhaal de vormen vaak. Juist deze werkwoorden maken veel alledaagse Nederlandse zinnen mogelijk.

You reached the end

You reached the end

Now make it stick.

Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.

Practice exercises

Was this lesson helpful?

Vocabulary in this lesson

11 words, ready to study.

Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.

Save any of these 11 words and review them later.

Veelgebruikte onregelmatige werkwoorden

11 words

Last updated October 11, 2026