Veelgebruikte onregelmatige werkwoorden
Leer veelgebruikte Nederlandse werkwoorden zoals gaan, komen, doen, zien, staan, eten en lezen correct vervoegen en gebruiken in de tegenwoordige tijd.
Sommige veelgebruikte werkwoorden hebben een bijzondere stam of een bijzondere vorm. Je komt ze elke dag tegen, dus het is handig om ze als een klein rijtje te leren. In deze les oefen je onregelmatige vormen in de tegenwoordige tijd, zoals ben, is en heeft. Je leert ook werkwoorden die in deze tijd regelmatig zijn, maar waarbij je op de spelling moet letten, zoals nemen, geven, lezen en eten.
Na deze les kun je:
- zijn en hebben kort herhalen;
- kunnen, willen, mogen en zullen vervoegen;
- gaan, staan, doen en zien vervoegen;
- veelgebruikte vormen als komt, neemt, geeft, eet en leest gebruiken.
Zijn en hebben
Zijn en hebben zijn heel onregelmatig. De vormen lijken niet allemaal op de hele werkwoorden.
| Onderwerp | zijn | hebben |
|---|---|---|
| ik | ik ben | ik heb |
| jij / je | jij bent | jij hebt |
| u | u bent | u hebt / u heeft |
| hij / zij / het | hij is | hij heeft |
| wij / jullie / zij | wij zijn | wij hebben |
Ik ben thuis.
De buurvrouw is op het werk.
Noor heeft een afspraak.
Wij hebben vandaag les.
Bij u zijn u hebt en u heeft allebei correct. U heeft hoor je in Nederland vaak.
Kunnen, willen, mogen en zullen
Ook deze werkwoorden hebben bijzondere vormen. Leer vooral ik kan, ik wil, ik mag, ik zal. Bij hij, zij en het gebruik je dezelfde vormen, zonder -t.
| Onderwerp | kunnen | willen | mogen | zullen |
|---|---|---|---|---|
| ik | kan | wil | mag | zal |
| jij / je | kunt / kan | wilt / wil | mag | zult / zal |
| u | kunt / kan | wilt / wil | mag | zult / zal |
| hij / zij / het | kan | wil | mag | zal |
| wij / jullie / zij | kunnen | willen | mogen | zullen |
Vaak staat er nog een werkwoord aan het einde van de zin. Dat werkwoord blijft heel.
Ik kan zwemmen.
Hij wil naar huis gaan.
Je mag hier zitten.
Zullen we samen eten?
Gaan, staan, doen en zien
De stam van deze werkwoorden is kort en eindigt op een klinker. Bij gaan en staan haal je -en weg: ga, sta. Bij doen en zien valt alleen de -n weg: doe, zie.
| Onderwerp | gaan | staan | doen | zien |
|---|---|---|---|---|
| ik | ga | sta | doe | zie |
| jij / je | gaat | staat | doet | ziet |
| u | gaat | staat | doet | ziet |
| hij / zij / het | gaat | staat | doet | ziet |
| wij / jullie / zij | gaan | staan | doen | zien |
- Ik ga naar de markt.
- Zij staat bij het station.
- Hij doet de afwas.
- De reiziger ziet de bus.
Leer de vier korte ik-vormen samen: ik ga, ik sta, ik doe, ik zie. Voeg bij jij, u en hij meestal -t toe.
Komen en de spelling van de lange klinker
Bij komen is de stam kom. Kom heeft een korte o; onthoud die vorm apart. Bij andere woorden verandert de schrijfwijze als je -en weghaalt.
| Infinitief | Met ik | Met jij / hij | Met wij |
|---|---|---|---|
| komen | ik kom | hij komt | wij komen |
| nemen | ik neem | zij neemt | wij nemen |
| geven | ik geef | hij geeft | wij geven |
| lezen | ik lees | zij leest | wij lezen |
| eten | ik eet | hij eet | wij eten |
De lange klinker blijft lang in neem, geef, lees en eet. Daarom zie je in de ik-vorm twee klinkerletters. Nemen, geven, lezen en eten zijn in de tegenwoordige tijd dus regelmatig volgens deze spellingregel.
Bij eten eindigt de stam eet al op t. Je schrijft daarom ook hij eet, zonder een tweede t.
Quick check
Try one question now.
Check your answer when you are ready. No sign-in needed.
De vorm in een gewone zin
Begint een eenvoudige mededeling met het onderwerp? Dan staat de persoonsvorm direct na het onderwerp.
De trein komt om acht uur.
Ik neem de fiets naar het werk.
De docent geeft het boek aan Amir.
Mijn dochter leest de krant.
Het kind eet een appel.
Begint de mededeling met een tijd, zoals morgen of om acht uur? Dan staat de persoonsvorm direct na die tijd en komt het onderwerp daarna. Dat heet inversie.
Morgen ga ik naar de markt.
Om acht uur komt de trein.
Bij wij, jullie en zij gebruik je in de tegenwoordige tijd altijd het hele werkwoord: wij komen, jullie lezen, zij eten.
Vragen met jij en je
Staat jij of je na het werkwoord? Gebruik dan de ik-vorm, zonder een extra -t.
| Gewone zin | Vraag |
|---|---|
| Jij bent thuis. | Ben jij thuis? |
| Je hebt tijd. | Heb je tijd? |
| Jij gaat met de trein. | Ga jij met de trein? |
| Je doet de afwas. | Doe je de afwas? |
| Jij ziet het bord. | Zie jij het bord? |
| Je leest de brief. | Lees je de brief? |
Deze regel geldt alleen bij jij/je na het werkwoord. Heeft de vorm met u of hij een -t? Dan blijft die staan: Gaat u mee? en Gaat hij mee?
Gebruik niet het hele werkwoord na ik, jij of hij.
✓ Ik ga naar huis.
✗ Ik gaan naar huis.
Zo leer je de vormen
- Leer eerst de ik-vorm: ga, sta, doe, zie, kom.
- Leer daarna de vorm met hij: gaat, staat, doet, ziet, komt.
- Onthoud dat de meervoudsvorm gelijk is aan het hele werkwoord.
- Maak met elke vorm één korte zin uit je eigen leven.
| Soort | Voorbeelden |
|---|---|
| sterk onregelmatig | ben, is, zijn; heb, heeft, hebben |
| korte bijzondere stam | ga, sta, doe, zie, kom |
| lange klinker in de stam | neem, geef, lees, eet |
Herhaal de vormen vaak. Juist deze werkwoorden maken veel alledaagse Nederlandse zinnen mogelijk.
You reached the end
You reached the endNow make it stick.
Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.
Was this lesson helpful?
Vocabulary in this lesson
11 words, ready to study.
Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.
Save any of these 11 words and review them later.
Veelgebruikte onregelmatige werkwoorden
11 wordsLast updated October 11, 2026