Grammar learning path · A1 Beginner
Zijn, hebben en frequente werkwoorden.
De meest gebruikte Nederlandse werkwoorden volgen niet allemaal één eenvoudig patroon. Je leert eerst zijn en hebben en voegt daarna werkwoorden toe waarmee je over beweging, activiteiten en waarneming praat.
3 lessons11 exercisesIn order, or à la carte
Start path — Lesson 1
First lesson · Het werkwoord zijn in de tegenwoordige tijd
What you'll learn.
- Zijn en hebben bij alle persoonlijke voornaamwoorden vervoegen.
- Met de basiswerkwoorden vragen en ontkenningen maken.
- Veelgebruikte onregelmatige presensvormen vlot gebruiken.
Before you start.
- Je kent de persoonlijke voornaamwoorden als onderwerp.
Lessons in this path.
Take them in order- 1Lesson 1Het werkwoord zijn in de tegenwoordige tijd
Gebruik ben, bent, is en zijn om namen, eigenschappen, toestanden, leeftijden en plaatsen te beschrijven.
- 2Lesson 2Het werkwoord hebben in de tegenwoordige tijd
Gebruik heb, hebt, heeft en hebben voor bezit, relaties, afspraken, kenmerken en vaste behoeften.
- 3Lesson 3Veelgebruikte onregelmatige werkwoorden
Vervoeg frequente werkwoorden als gaan, komen, doen, zien, nemen, geven, eten en lezen in het presens.
Ready?
Het werkwoord zijn in de tegenwoordige tijd.
Begin with the first lesson and work through the practice at your own pace.