Veelvoorkomende vaste voorzetselcombinaties
Oefen veelgebruikte Nederlandse werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden met een vast voorzetsel, zoals wachten op, denken aan en trots zijn op.
Bij veel Nederlandse woorden hoort een vast voorzetsel. Je wacht op de bus, luistert naar muziek en bent trots op een resultaat. Het voorzetsel kun je niet vrij kiezen.
Na deze les kun je:
- veelgebruikte werkwoorden met hun vaste voorzetsel onthouden;
- enkele bijvoeglijke naamwoorden met een voorzetsel gebruiken;
- het juiste patroon kiezen in vragen en ontkenningen.
Leer de combinatie als één geheel
Een vast voorzetsel heeft niet altijd dezelfde betekenis als een voorzetsel van plaats of tijd. In Ik wacht op de bus betekent op niet dat je boven op de bus zit. Het hoort bij wachten.
Leer daarom niet alleen wachten, maar wachten op iets of iemand. Noteer ook een korte voorbeeldzin.
| Combinatie | Voorbeeld |
|---|---|
| wachten op | We wachten op de trein. |
| luisteren naar | Ik luister naar de radio. |
| denken aan | Denk je aan je afspraak? |
| praten over | Zij praten over hun vakantie. |
| zorgen voor | Amir zorgt voor zijn buurvrouw. |
| houden van | Wij houden van wandelen. |
Schrijf nieuwe woorden in groepjes van drie: werkwoord + voorzetsel + voorbeeld. Bijvoorbeeld: vragen om — Ik vraag om hulp.
Combinaties met personen en dingen
Na het voorzetsel kan een zelfstandig naamwoord of een voornaamwoord voor een persoon staan.
- Ik praat met mijn docent.
- We wachten op haar.
- Hij is boos op zijn broer.
- Bent u tevreden met de oplossing?
Voor dingen gebruik je in natuurlijk Nederlands vaak een voornaamwoordelijk bijwoord, zoals erop of eraan. Ik wacht op de uitslag. → Ik wacht erop. Op A2 kun je ook een genoemd zelfstandig naamwoord blijven gebruiken: Ik wacht op het antwoord. De vormen met er worden in een aparte les uitgebreid behandeld.
Een ander voorzetsel, een andere betekenis
Sommige werkwoorden hebben meer dan één combinatie. De betekenis verandert dan.
| Combinatie | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| vragen om | iets willen krijgen | Zij vraagt om informatie. |
| vragen naar | informeren naar iemand of iets | Hij vraagt naar de manager. |
| praten met | de gesprekspartner noemen | Ik praat met Noor. |
| praten over | het onderwerp noemen | Ik praat over mijn werk. |
| denken aan | iets in gedachten hebben | Denk aan je sleutels. |
| denken over | een mening vormen | Hoe denk je over dit plan? |
Vervang het vaste voorzetsel niet door een letterlijke vertaling uit een andere taal.
✗ Ik wacht voor de bus.
✓ Ik wacht op de bus.
Nog meer veelgebruikte werkwoorden
- beginnen met: We beginnen met de eerste oefening.
- stoppen met: Hij stopt met roken.
- geloven in: Zij gelooft in haar eigen idee.
- reageren op: De klant reageert op mijn e-mail.
- zoeken naar: Ik zoek naar een rustige kamer.
- kiezen voor: Wij kiezen voor de trein.
- betalen voor: Wie betaalt voor het eten?
- lachen om: De kinderen lachen om de grap.
Na het voorzetsel kan ook een infinitief als zelfstandig naamwoord staan: Hij stopt met roken en Wij houden van koken. Als de infinitief direct na het voorzetsel staat, gebruik je geen te.
Met er + voorzetsel kun je verwijzen naar iets dat al genoemd is, zonder verdere aanvulling: Hij rookte vroeger. Hij is ermee gestopt.
Bij sommige combinaties kan een uitgebreidere aanvulling volgen met om te + infinitief: Ik denk erover om te verhuizen. Hier is het patroon er + voorzetsel + om te + infinitief.
Quick check
Try one question now.
Check your answer when you are ready. No sign-in needed.
Bijvoeglijke naamwoorden met een voorzetsel
Ook bij sommige bijvoeglijke naamwoorden hoort een vaste combinatie.
| Combinatie | Voorbeeld |
|---|---|
| blij met | Ik ben blij met het nieuws. |
| bang voor | Het kind is bang voor de hond. |
| trots op | Noor is trots op haar diploma. |
| tevreden met | Bent u tevreden met uw kamer? |
| bekend met | Ik ben niet bekend met deze wijk. |
| klaar voor | We zijn klaar voor vertrek. |
| geïnteresseerd in | Zij is geïnteresseerd in kunst. |
| goed in | Hij is goed in rekenen. |
| boos op | Mijn moeder is boos op mij. |
De vorm van zijn verandert, maar het voorzetsel blijft: ik ben trots op, wij waren trots op en ben je trots op?
Combinaties met hebben en een zelfstandig naamwoord
Bij zin hebben in is zin een zelfstandig naamwoord. Leer ook deze combinatie als één geheel.
| Combinatie | Voorbeeld |
|---|---|
| zin hebben in | Ik heb zin in een ijsje. |
| last hebben van | Ik heb last van het lawaai. |
| moeite hebben met | Zij heeft moeite met deze oefening. |
Vragen en ontkenningen
In een vraag blijft de combinatie bij elkaar in betekenis. In gewone gesproken taal staan waar en het voorzetsel vaak uit elkaar; de vorm als één woord is formeler.
- Waar wacht u op? — Ik wacht op de uitslag.
- Waar gaat de vergadering over? — Ze gaat over de planning.
- Formeler: Waarop wacht u? Waarover gaat de vergadering?
- Met wie praat je? — Ik praat met de huisarts.
Bij personen gebruik je voorzetsel + wie. Bij dingen kun je waar + voorzetsel splitsen of, formeler, als één woord schrijven.
Ontken de zin op de gewone manier: Ik ben niet bang voor honden, Wij wachten niet op de bus en Hij vraagt niet om geld.
Situatie: Je hebt een afspraak, maar de medewerker is er nog niet.
Zin: Ik wacht op de medewerker en ik wil straks met haar praten over mijn aanvraag.
Zelf controleren
Controleer steeds drie onderdelen:
- Welk werkwoord of bijvoeglijk naamwoord gebruik je?
- Welk vast voorzetsel hoort bij die betekenis?
- Volgt er een persoon, een ding of een activiteit?
Een woordenboek geeft het voorzetsel vaak bij het werkwoord. Toch helpt vooral herhaling in hele zinnen: reageren op een bericht, zorgen voor een kind en trots zijn op je werk.
You reached the end
You reached the endNow make it stick.
Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.
Was this lesson helpful?
Vocabulary in this lesson
36 words, ready to study.
Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.
Save any of these 36 words and review them later.
Werkwoorden met een vast voorzetsel
36 wordsLast updated October 11, 2026