Waarmee, waarover en waarop in vraag en verwijzing
Gebruik waarmee, waarover en waarop in directe en indirecte vragen en betrekkelijke bijzinnen. Kies het vaste voorzetsel en de juiste woordvolgorde.
Wanneer je naar een zaak vraagt die bij een voorzetsel hoort, combineer je vaak waar + voorzetsel: waarmee, waarover, waarop. Dezelfde vormen verbinden ook een zelfstandig naamwoord met een betrekkelijke bijzin: het programma waarmee ik werk.
Kies eerst het voorzetsel
Het werkwoord, bijvoeglijk naamwoord of de uitdrukking bepaalt het voorzetsel. De waar-vorm behoudt dat voorzetsel.
| Vaste combinatie | Vraagvorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| werken met | waarmee | Waarmee werk je? |
| praten over | waarover | Waarover praten jullie? |
| wachten op | waarop | Waarop wachten we? |
| denken aan | waaraan | Waaraan denk je? |
| behoefte hebben aan | waar ... aan | Waar is behoefte aan? |
Leer daarom niet alleen waarmee, maar de hele combinatie werken met → waarmee werken.
Niet elk voorzetsel vormt een gewone waar-vorm. Bij tijdens, sinds, zonder en volgens formuleer je vaak anders, bijvoorbeeld met waarin of waarbij: de periode waarin we hebben gewacht, de afspraak waarbij iedereen aanwezig moet zijn. In formele taal kan ook de vergadering gedurende welke ... of de norm volgens welke ....
Directe vragen
Een waar-vorm kan vooraan staan. Daarna volgt de gewone vraagvolgorde: persoonsvorm vóór onderwerp.
- Waarmee open je dit bestand?
- Waarover gaat de vergadering?
- Waarop baseert de journalist die conclusie?
- Waaraan herken je een betrouwbaar keurmerk?
De vorm kan ook worden gesplitst, vooral in alledaagse taal.
- Waar werk je mee?
- Waar hebben jullie het over?
- Waar wacht zij op?
Staan beide delen naast elkaar, schrijf ze aaneen: waarmee, niet waar mee.
Een gesplitste vraag is niet automatisch minder correct. Register, ritme en lengte bepalen vaak welke vorm natuurlijker klinkt.
Indirecte vragen
Na een inleidende hoofdzin leidt de waar-vorm een bijzin in. In die bijzin staat het onderwerp vóór de werkwoordgroep.
- Weet jij waarmee je dit apparaat bedient?
- Ik vraag me af waarover ze hebben gesproken.
- Kun je uitleggen waarop de keuze is gebaseerd?
Vergelijk de woordvolgorde:
- Direct: Waarmee kan ik betalen?
- Indirect: Weet u waarmee ik kan betalen?
Gebruik in een indirecte vraag geen tweede vraagvolgorde: niet Ik weet niet waarmee kan ik betalen, maar waarmee ik kan betalen.
Verwijzing in een betrekkelijke bijzin
Na een zaak vormt waar + voorzetsel de verbinding met extra informatie.
- het systeem waarmee we gegevens verwerken
- het voorstel waarover morgen wordt gestemd
- de norm waarop de beoordeling is gebaseerd
- het doel waarnaar de organisatie streeft
Ook hier is splitsing mogelijk: het systeem waar we gegevens mee verwerken. De aaneengeschreven vorm is vaak compact en past goed in verzorgde schrijftaal; de gesplitste vorm klinkt dikwijls gesprekstaliger.
Bij een lange bijzin wordt een gesplitste vorm snel onoverzichtelijk. Kies dan liever de aaneengeschreven vorm: de norm waarop de commissie haar beoordeling baseert. In formele teksten komen ook vormen met welke voor, zoals de norm volgens welke de beoordeling plaatsvindt, en combinaties als de norm op grond waarvan de beoordeling plaatsvindt.
Volledige groep: We testen het programma. Met het programma maken we de planning.
Met verwijzing: We testen het programma waarmee we de planning maken.
Vervolgzin: Daarna beslissen we of we ermee blijven werken.
Quick check
Try one question now.
Check your answer when you are ready. No sign-in needed.
Zaken en personen
De waar-vorm verwijst in de standaardconstructie naar zaken, begrippen of een hele situatie. Bij een persoon gebruik je voorzetsel + wie.
- het team waarmee we samenwerken — team als organisatie of groep
- de collega met wie we samenwerken — persoon
- het onderwerp waarover ik bel — zaak
- de deskundige over wie het artikel gaat — persoon
Vraag dus Waarmee schrijf je? bij een instrument, maar Met wie schrijf je? wanneer je een medeauteur bedoelt.
Verwijzen naar een hele uitspraak
Een waar-vorm kan ook terugwijzen naar de inhoud van een hele vorige zin. Je kunt daar ook wat, waardoor of waarna voor gebruiken.
- De levering kwam opnieuw te laat, waarover de klant een klacht indiende.
- Het voorstel kreeg brede steun, waarmee de belangrijkste hindernis verdween.
- Het voorstel kreeg brede steun, wat de belangrijkste hindernis wegnam.
- De server viel uit, waardoor de vergadering werd uitgesteld.
- De aanvraag was afgerond, waarna de behandeling begon.
Voor zo'n aanvullende bijzin staat een komma. Deze compacte vormen komen vooral in geschreven taal voor. In een eenvoudige tekst kun je twee hoofdzinnen gebruiken: De levering kwam opnieuw te laat. Daarover diende de klant een klacht in.
Waar-, daar- en er-vormen
- waar- vraagt of verbindt: Waarop wacht je? De uitslag waarop ik wacht.
- daar- wijst nadrukkelijk terug: Daarop wacht ik, niet op de brief.
- er- verwijst neutraal: Ik wacht erop.
De keuze van het voorzetsel blijft in alle drie gelijk. Bij er- moet je de vorm splitsen als er woorden tussen komen: Ik wacht erop, maar Ik wacht er al weken op.
Samenvatting
- Vorm bij zaken waar + het vaste voorzetsel: waarmee, waarover, waarop.
- Gebruik vraagvolgorde in een directe vraag en bijzinvolgorde in een indirecte vraag.
- Verbind een zaak met een betrekkelijke bijzin via een waar-vorm.
- De delen kunnen worden gesplitst, maar staan aaneen als ze naast elkaar staan.
- Gebruik bij personen meestal voorzetsel + wie.
- Kies daar- voor contrast en er- voor neutrale verwijzing.
You reached the end
You reached the endNow make it stick.
Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.
Was this lesson helpful?
Vocabulary in this lesson
19 words, ready to study.
Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.
Save any of these 19 words and review them later.
Kernwoorden bij Waarmee, waarover en waarop in vraag en verwijzing
19 wordsLast updated October 11, 2026