Question 1
Je ontkent de hele handeling met de bekende man. Bouw de zin: _____
Options: Ik ken die man niet., geen, kent
Tik de woorden in de juiste volgorde en laat woorden die niet in de zin horen weg.
Question 1
Je ontkent de hele handeling met de bekende man. Bouw de zin: _____
Options: Ik ken die man niet., geen, kent
Question 2
De kamer heeft niet de eigenschap groot. Bouw de zin: _____
Options: geen, De kamer is niet groot., zijn
Question 3
Utrecht is juist niet jullie woonplaats. Bouw de zin: _____
Options: geen, woont, Wij wonen niet in Utrecht.
Question 4
Amir praat wel, maar zijn manier is niet snel. Bouw de korte zin: _____
Options: Amir praat niet snel., geen, praatten
Question 5
Je bent verhinderd. Bouw de zin: _____
Options: komt., Ik kan niet komen., kunt
Question 6
Het bericht staat nog bij de concepten. Bouw de zin in het perfectum: _____
Options: hebben, verstuurt., Sara heeft het niet verstuurd.
Question 7
De kinderen blijven in bed. Bouw de zin: _____
Options: De kinderen staan niet op., staat, stond
Question 8
Het ene kledingstuk heeft de verkeerde maat, het andere zit goed. Bouw het contrast: _____
Options: Geen, Niet de jas, maar de broek past., passen.
Question 9
Noor is verhuisd. Bouw de zin over haar vroegere woonplaats: _____
Options: geen, wonen, Noor woont niet meer in Delft.
Question 10
Je bezit geen enkele fiets. Bouw de gewone ontkenning van een onbepaald zelfstandig naamwoord: _____
Options: Ik heb geen fiets., niet, heeft
Practice Bouw zinnen met niet with this interactive sentence-building exercise of 10 questions. Tap the words into the correct order to build each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every sentence.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Bouw zinnen met niet in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.