Build the sentence

Bouw zinnen met niet

Tik de woorden in de juiste volgorde en laat woorden die niet in de zin horen weg.

0 / 10 sentences built0%

Question 1

Je ontkent de hele handeling met de bekende man. Bouw de zin: _____

Options: Ik ken die man niet., geen, kent

Question 2

De kamer heeft niet de eigenschap groot. Bouw de zin: _____

Options: geen, De kamer is niet groot., zijn

Question 3

Utrecht is juist niet jullie woonplaats. Bouw de zin: _____

Options: geen, woont, Wij wonen niet in Utrecht.

Question 4

Amir praat wel, maar zijn manier is niet snel. Bouw de korte zin: _____

Options: Amir praat niet snel., geen, praatten

Question 5

Je bent verhinderd. Bouw de zin: _____

Options: komt., Ik kan niet komen., kunt

Question 6

Het bericht staat nog bij de concepten. Bouw de zin in het perfectum: _____

Options: hebben, verstuurt., Sara heeft het niet verstuurd.

Question 7

De kinderen blijven in bed. Bouw de zin: _____

Options: De kinderen staan niet op., staat, stond

Question 8

Het ene kledingstuk heeft de verkeerde maat, het andere zit goed. Bouw het contrast: _____

Options: Geen, Niet de jas, maar de broek past., passen.

Question 9

Noor is verhuisd. Bouw de zin over haar vroegere woonplaats: _____

Options: geen, wonen, Noor woont niet meer in Delft.

Question 10

Je bezit geen enkele fiets. Bouw de gewone ontkenning van een onbepaald zelfstandig naamwoord: _____

Options: Ik heb geen fiets., niet, heeft

Practice Bouw zinnen met niet with this interactive sentence-building exercise of 10 questions. Tap the words into the correct order to build each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every sentence.

Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Bouw zinnen met niet in everyday Dutch.

Looking for more practice? See all exercises for this lesson.