Fill in the blank

Enkelvoud en meervoud in het verleden

Kies de regelmatige imperfectumvorm die bij het onderwerp past.

0 / 15 blanks filled0%

Question 1

Amir _____ gisteren de hele dag thuis.

Options: werkte, werkten, werkde

Question 2

Mijn ouders _____ vroeger in Utrecht.

Options: woonde, woonden, woonten

Question 3

Noor _____ voor haar verjaardag een taart.

Options: maakde, maakten, maakte

Question 4

Ik _____ als kind naast de school.

Options: woonde, woonden, woonte

Question 5

De leerlingen _____ samen een grote poster.

Options: maakte, maakten, maakden

Question 6

Wij _____ iedere ochtend naar de les.

Options: fietsden, fietste, fietsten

Question 7

U _____ vorige maand nog naar uw werk.

Options: fietste, fietsten, fietsde

Question 8

De gasten _____ hard om de grap.

Options: lachte, lachten, lachden

Question 9

Mila _____ snel nieuwe woorden.

Options: leerte, leerden, leerde

Question 10

Jullie _____ elke avond voor de toets.

Options: leerden, leerde, leerten

Question 11

Sara _____ rustig over het meer.

Options: roeite, roeide, roeiden

Question 12

We _____ de huisarts na het ontbijt.

Options: belten, belde, belden

Question 13

Het kind _____ bij de deur op zijn moeder.

Options: wachtte, wachte, wachtde

Question 14

De bezoekers _____ buiten tot de winkel openging.

Options: wachtte, wachtten, wachten

Question 15

Welke combinatie geeft het basisverschil goed weer? _____

Options: beide altijd werkten, enkelvoud werken, meervoud werkte, enkelvoud werkte, meervoud werkten

Practice Enkelvoud en meervoud in het verleden with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.

Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Enkelvoud en meervoud in het verleden in everyday Dutch.

Looking for more practice? See all exercises for this lesson.