Question 1
Ik _____ een nieuwe fiets.
Options: hebt, heb, heeft
Kies de juiste vorm van hebben of de juiste vaste combinatie.
Question 1
Ik _____ een nieuwe fiets.
Options: hebt, heb, heeft
Question 2
Jij _____ morgen een afspraak bij de dokter.
Options: hebt, heb, hebben
Question 3
Je _____ een mooie foto van de stad.
Options: heb, heeft, hebt
Question 4
U _____ om tien uur een afspraak met de tandarts.
Options: heeft, heb, hebben
Question 5
Hij _____ een broer en twee zussen.
Options: hebben, heeft, hebt
Question 6
Noor woont met haar kat. Zij _____ dus een huisdier.
Options: heb, hebben, heeft
Question 7
Het huis _____ een kleine tuin achter de keuken.
Options: hebben, heeft, heb
Question 8
Wij _____ vanmiddag een Nederlandse les.
Options: hebben, heeft, hebt
Question 9
Jullie _____ vandaag veel tijd voor de opdracht.
Options: hebt, heeft, hebben
Question 10
De kinderen zijn in de tuin. Zij _____ een nieuwe bal.
Options: hebben, heeft, hebt
Question 11
Mijn buren _____ drie kinderen.
Options: heeft, hebben, heb
Question 12
De kamer _____ twee grote ramen.
Options: heb, hebben, heeft
Question 13
Hij _____ na de lange wandeling.
Options: heeft honger, hebt honger, hebben honger
Question 14
We _____ om rustig te praten.
Options: hebt tijd, hebben tijd, heeft tijd
Question 15
Ik _____ na het fietsen.
Options: hebt dorst, heeft dorst, heb dorst
Practice Wie heeft wat? with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Wie heeft wat? in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.