Question 1
_____ jij vandaag tijd voor een wandeling?
Options: Hebt, Heb, Heeft
Kies de juiste vorm in vragen, antwoorden en negatieve zinnen. Let ook op leeftijd met zijn.
Question 1
_____ jij vandaag tijd voor een wandeling?
Options: Hebt, Heb, Heeft
Question 2
_____ je een pen voor mij?
Options: Heb, Hebt, Heeft
Question 3
_____ u straks een moment voor een vraag?
Options: Heb, Hebben, Heeft
Question 4
Noor woont in Rotterdam. _____ zij een zus in Amsterdam?
Options: Heeft, Heb, Hebben
Question 5
_____ jullie morgen een vrije dag?
Options: Heeft, Hebben, Hebt
Question 6
_____ de buren een auto?
Options: Heeft, Heb, Hebben
Question 7
Heb je een broer? Ja, ik _____ een broer.
Options: heeft, heb, hebben
Question 8
Ik ga altijd met de bus, want ik heb _____ fiets.
Options: geen, niet, niets
Question 9
Noor is enig kind; zij heeft _____ broer.
Options: niet, niets, geen
Question 10
We moeten nu weg, want we hebben _____ tijd.
Options: geen, niet, niets
Question 11
Ik heb de sleutel _____; hij ligt nog thuis.
Options: geen, niet, niets
Question 12
Hij heeft vandaag _____ veel tijd voor koffie.
Options: geen, niets, niet
Question 13
Heeft Amir een auto? Nee, hij _____.
Options: heeft geen auto, heeft de auto niet, heeft niet auto
Question 14
Voor je leeftijd gebruik je zijn: ik _____ twintig jaar.
Options: heb, ben, hebt
Question 15
Noor _____ acht jaar, dus zij zit op de basisschool.
Options: heeft, zijn, is
Practice Vragen, ontkenningen en leeftijd with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Vragen, ontkenningen en leeftijd in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.