A1 · BeginnerLesson 2 of 3

Het werkwoord hebben in de tegenwoordige tijd

Leer de vormen heb, hebt, heeft en hebben in de tegenwoordige tijd en gebruik hebben voor bezit, relaties, kenmerken, ontkenningen en vragen.

By the flumi team About 5 min read 25 vocabulary wordsGrammar learning path: Zijn, hebben en frequente werkwoorden

Met het werkwoord hebben vertel je dat iemand een bezit, een familielid, een afspraak of een kenmerk heeft. De vorm van het werkwoord verandert bij het onderwerp.

Na deze les kun je:

  • heb, hebt, heeft en hebben bij het juiste onderwerp gebruiken;
  • vertellen wat iemand wel of niet heeft;
  • een eenvoudige vraag met hebben stellen en beantwoorden.

De vormen van hebben

Hebben is het hele werkwoord. Bekijk de vormen in de tegenwoordige tijd.

Onderwerp Vorm Voorbeeld
ik heb Ik heb een fiets.
jij/je hebt Jij hebt een hond.
u heeft U heeft een afspraak.
hij heeft Hij heeft een broer.
zij/ze heeft Zij heeft een vraag.
het heeft Het heeft geen zin.
wij/we hebben Wij hebben pauze.
jullie hebben Jullie hebben tijd.
zij/ze hebben Zij hebben twee kinderen.

Bij u zijn u heeft en u hebt allebei correct. In deze les gebruiken we u heeft, een veelvoorkomende vorm in Nederland.

Wanneer gebruik je hebben?

Je gebruikt hebben in veel dagelijkse situaties.

Betekenis Voorbeeld
een bezit Ik heb een telefoon.
een familierelatie Sara heeft een zus.
een afspraak of een activiteit We hebben morgen een les.
een kenmerk De kamer heeft twee ramen.
een gevoel of een behoefte Hij heeft honger.
  • Ik heb een rode jas.
  • Mijn buurvrouw heeft een kat.
  • Jullie hebben vandaag een vrije dag.
  • De tafel heeft vier poten.

Bij sommige vaste combinaties hoort geen lidwoord: honger hebben, dorst hebben en tijd hebben.

Een mededeling maken

In een gewone zin staat het onderwerp meestal eerst. Daarna komt de juiste vorm van hebben.

Onderwerp + heb/hebt/heeft/hebben + informatie

  1. Kies het onderwerp.
  2. Kies de passende vorm van hebben.
  3. Vertel wat de persoon of het ding heeft.

Wij + hebben + een auto → Wij hebben een auto.

Mijn vriend + heeft + een nieuwe baan → Mijn vriend heeft een nieuwe baan.

Jij + hebt + een goed idee → Jij hebt een goed idee.

Begint de zin met tijd, dan staat hebben vóór het onderwerp: Vandaag heb ik geen tijd. / Morgen hebben wij les.

Kijk eerst of het onderwerp enkelvoud of meervoud is. Bij wij, jullie en meervoudig zij gebruik je altijd hebben.

Geen en niet

Gebruik geen om een te vervangen, of bij een zelfstandig naamwoord zonder lidwoord: geen auto, geen broer, geen tijd. Staat er de, het of een bezitswoord, gebruik dan niet: Ik heb de sleutel niet. / Ik heb mijn sleutel niet.

Positief Negatief
Ik heb een auto. Ik heb geen auto.
Zij heeft een broer. Zij heeft geen broer.
We hebben tijd. We hebben geen tijd.

Gebruik niet als je een ander deel van de zin ontkent.

  • Ik heb de sleutel niet.
  • Hij heeft vandaag niet veel tijd.

Gebruik bij een zelfstandig naamwoord zonder de of het meestal geen, niet niet een.

✓ Ik heb geen fiets.

✗ Ik heb niet een fiets.

Quick check

Try one question now.

1
Ik een nieuwe fiets.

Check your answer when you are ready. No sign-in needed.

Een vraag stellen

In een ja-neevraag staat de vorm van hebben voor het onderwerp.

Heb/heeft/hebben + onderwerp + informatie?

Mededeling Vraag
Jij hebt een pen. Heb jij een pen?
U heeft een afspraak. Heeft u een afspraak?
Zij heeft een fiets. Heeft zij een fiets?
Jullie hebben les. Hebben jullie les?

Bij jij/je verdwijnt de -t als het onderwerp direct na het werkwoord staat: jij hebt, maar heb jij?

Bij u zijn Heeft u een afspraak? en Hebt u een afspraak? allebei correct. Deze les gebruikt de vormen met heeft, bijvoorbeeld U heeft ... en Heeft u ...?

Heb je een broer? — Ja, ik heb een broer.

Heeft Noor een hond? — Nee, zij heeft geen hond.

Hebben de buren een auto? — Ja, zij hebben een auto.

Leeftijd met zijn

In het Nederlands gebruik je zijn, niet hebben, om een leeftijd te noemen.

✓ Ik ben twintig jaar.

✗ Ik heb twintig jaar.

Kort samengevat

  • Gebruik heb bij ik.
  • Gebruik hebt bij jij/je en meestal heeft bij u.
  • Gebruik heeft bij hij, zij/ze en het.
  • Gebruik hebben bij wij/we, jullie en meervoudig zij/ze.
  • Zet het werkwoord voor het onderwerp om een ja-neevraag te maken.
  • Deze les gaat over hebben als zelfstandig werkwoord. Later gebruik je hebben ook als hulpwerkwoord in de voltooide tijd: Ik heb gewerkt.

You reached the end

You reached the end

Now make it stick.

Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.

Practice exercises

Was this lesson helpful?

Vocabulary in this lesson

25 words, ready to study.

Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.

Save any of these 25 words and review them later.

Onderwerpen en bezit bij hebben

25 words

Last updated October 11, 2026