Question 1
Noor is nog niet klaar, maar jij _____ al klaar. _____ jij morgen vrij?
Options: ben, bent, is, zijn, Bent, Is, Zijn, Ben
Kies de vorm die de mededeling, vraag of ontkenning correct maakt.
Question 1
Noor is nog niet klaar, maar jij _____ al klaar. _____ jij morgen vrij?
Options: ben, bent, is, zijn, Bent, Is, Zijn, Ben
Question 2
Meneer Vos, u _____ onze eerste gast. _____ u hier voor de rondleiding?
Options: ben, zijn, is, bent, Ben, Is, Zijn, Bent
Question 3
Je _____ vroeg vandaag. _____ je morgen weer zo vroeg?
Options: is, zijn, bent, ben, Ben, Bent, Zijn, Is
Question 4
Ik _____ misschien te laat. _____ ik nog op tijd voor de trein?
Options: zijn, is, ben, bent, Bent, Is, Zijn, Ben
Question 5
Sara _____ thuis. _____ zij ook vrij vandaag?
Options: is, ben, zijn, bent, Zijn, Is, Ben, Bent
Question 6
De kinderen _____ klaar. _____ ze al bij de deur?
Options: ben, zijn, is, bent, Is, Ben, Zijn, Bent
Question 7
Amir heeft goed geslapen en voelt zich fit. Amir is _____ moe.
Options: geen, niet, nee
Question 8
Nina is op kantoor en dus is zij _____ thuis.
Options: een, geen, niet
Question 9
Op het bord staat: zondag gesloten. Het is zondag, dus de winkels zijn vandaag _____ open.
Options: niet, geen, nee
Question 10
Ravi werkt als monteur, niet op een school. Hij is _____ docent.
Options: niet, geen, een
Question 11
De kleine fout is snel opgelost en niemand maakt zich zorgen. Dit is _____ probleem.
Options: niets, niet, geen
Question 12
Mijn vader werkt in een restaurant. Hij _____ kok.
Options: is, ben, bent, zijn
Question 13
Mijn vader kookt heel goed. Hij is _____.
Options: goede kok, een goede kok, een goede koks
Question 14
Ik _____ blij.
Options: zijn, bent, is, ben
Question 15
"Ben je thuis?" vraagt Eva. Ik antwoord: "Ja, ik _____ thuis."
Options: ben, is, zijn, bent
Practice Zinnen, vragen en ontkenningen with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Zinnen, vragen en ontkenningen in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.