A1 · BeginnerLesson 1 of 3

Het werkwoord zijn in de tegenwoordige tijd

Leer de vormen ben, bent, is en zijn in de tegenwoordige tijd en gebruik het werkwoord zijn correct in mededelingen, ontkenningen en vragen.

By the flumi team About 5 min read 25 vocabulary wordsGrammar learning path: Zijn, hebben en frequente werkwoorden

Het werkwoord zijn komt heel vaak voor. Je gebruikt het onder meer bij een naam, een beroep, een eigenschap, een toestand en een plaats. De vorm verandert bij het onderwerp.

Na deze les kun je:

  • ben, bent, is en zijn bij het juiste onderwerp gebruiken;
  • een mededeling en een ontkenning maken;
  • een eenvoudige vraag met zijn stellen en beantwoorden.

De vormen van zijn

Zijn is het hele werkwoord. In de tegenwoordige tijd heeft het verschillende vormen.

Onderwerp Vorm Voorbeeld
ik ben Ik ben thuis.
jij/je bent Jij bent vroeg.
u bent U bent welkom.
hij is Hij is moe.
zij/ze is Zij is arts.
het is Het is koud.
wij/we zijn Wij zijn klaar.
jullie zijn Jullie zijn stil.
zij/ze zijn Zij zijn buiten.

Leer de vormen in vier groepen: ik ben, jij bent, hij/zij/het is en wij/jullie/zij zijn.

U bent is de standaardvorm.

Wanneer gebruik je zijn?

Met zijn geef je informatie over het onderwerp.

Informatie Voorbeeld
een naam Ik ben Mila.
een beroep Mijn vader is kok.
een eigenschap De kamer is groot.
een toestand Wij zijn moe.
een plaats De sleutels zijn op de tafel.
een leeftijd Noor is achttien jaar.

Na zijn staat een beroep meestal zonder een: Mijn vader is kok. Je zegt wel Mijn vader is een goede kok als er een bijvoeglijk naamwoord bij staat.

Er is en er zijn

Gebruik er is voor één ding en er zijn voor meer dingen: Er is een supermarkt in de straat. / Er zijn twee slaapkamers.

  • Ik ben student.
  • De koffie is warm.
  • Mijn vrienden zijn in het park.
  • Het kind is vijf jaar.

Een gewone zin maken

In een mededeling staat het onderwerp meestal eerst. Daarna komt de juiste vorm van zijn.

Onderwerp + ben/bent/is/zijn + informatie

  1. Kies het onderwerp.
  2. Kies de passende vorm van zijn.
  3. Voeg de informatie toe.

Wij + zijn + thuis → Wij zijn thuis.

De winkel + is + open → De winkel is open.

Jij + bent + mijn buurman → Jij bent mijn buurman.

Quick check

Try one question now.

1
Ik Mila en ik woon in Utrecht.

Check your answer when you are ready. No sign-in needed.

Een ontkenning maken

Met niet zeg je dat een eigenschap, een toestand of een plaats niet klopt. Niet staat hier na de vorm van zijn.

Positief Negatief
Ik ben moe. Ik ben niet moe.
Zij is thuis. Zij is niet thuis.
De winkels zijn open. De winkels zijn niet open.

Gebruik geen als het onbepaalde een of een zelfstandig naamwoord zonder lidwoord wordt ontkend. Bij de of het gebruik je niet.

  • Hij is geen docent.
  • Dit is geen probleem.
  • Hij is niet de docent.

Zet niet direct na de vorm van zijn.

✓ Ik ben niet moe.

✗ Ik ben moe niet.

Een vraag stellen

In een ja-neevraag staat de vorm van zijn vóór het onderwerp.

Ben/bent/is/zijn + onderwerp + informatie?

Mededeling Vraag
Ik ben te laat. Ben ik te laat?
Jij bent klaar. Ben jij klaar?
U bent meneer Vos. Bent u meneer Vos?
Zij is thuis. Is zij thuis?
Jullie zijn moe. Zijn jullie moe?

Let op: je zegt jij bent, maar in een vraag zeg je ben jij. De -t verdwijnt als jij/je direct na het werkwoord staat.

Ook na een eerste zinsdeel staat de vorm van zijn vóór het onderwerp: Vandaag ben ik thuis. Met een vraagwoord: Waar ben je?

Ben je thuis? — Ja, ik ben thuis.

Is de supermarkt open? — Nee, de supermarkt is niet open.

Zijn de kinderen klaar? — Ja, ze zijn klaar.

Kort samengevat

  • Gebruik ben bij ik.
  • Gebruik bent bij jij/je en u.
  • Gebruik is bij hij, zij/ze en het.
  • Gebruik zijn bij wij/we, jullie en meervoudig zij/ze.
  • Zet de vorm van zijn voor het onderwerp om een ja-neevraag te maken.

You reached the end

You reached the end

Now make it stick.

Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.

Practice exercises

Was this lesson helpful?

Vocabulary in this lesson

25 words, ready to study.

Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.

Save any of these 25 words and review them later.

Onderwerpen bij het werkwoord zijn

25 words

Last updated October 11, 2026