Het werkwoord zijn in de tegenwoordige tijd
Leer de vormen ben, bent, is en zijn in de tegenwoordige tijd en gebruik het werkwoord zijn correct in mededelingen, ontkenningen en vragen.
Het werkwoord zijn komt heel vaak voor. Je gebruikt het onder meer bij een naam, een beroep, een eigenschap, een toestand en een plaats. De vorm verandert bij het onderwerp.
Na deze les kun je:
- ben, bent, is en zijn bij het juiste onderwerp gebruiken;
- een mededeling en een ontkenning maken;
- een eenvoudige vraag met zijn stellen en beantwoorden.
De vormen van zijn
Zijn is het hele werkwoord. In de tegenwoordige tijd heeft het verschillende vormen.
| Onderwerp | Vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| ik | ben | Ik ben thuis. |
| jij/je | bent | Jij bent vroeg. |
| u | bent | U bent welkom. |
| hij | is | Hij is moe. |
| zij/ze | is | Zij is arts. |
| het | is | Het is koud. |
| wij/we | zijn | Wij zijn klaar. |
| jullie | zijn | Jullie zijn stil. |
| zij/ze | zijn | Zij zijn buiten. |
Leer de vormen in vier groepen: ik ben, jij bent, hij/zij/het is en wij/jullie/zij zijn.
U bent is de standaardvorm.
Wanneer gebruik je zijn?
Met zijn geef je informatie over het onderwerp.
| Informatie | Voorbeeld |
|---|---|
| een naam | Ik ben Mila. |
| een beroep | Mijn vader is kok. |
| een eigenschap | De kamer is groot. |
| een toestand | Wij zijn moe. |
| een plaats | De sleutels zijn op de tafel. |
| een leeftijd | Noor is achttien jaar. |
Na zijn staat een beroep meestal zonder een: Mijn vader is kok. Je zegt wel Mijn vader is een goede kok als er een bijvoeglijk naamwoord bij staat.
Er is en er zijn
Gebruik er is voor één ding en er zijn voor meer dingen: Er is een supermarkt in de straat. / Er zijn twee slaapkamers.
- Ik ben student.
- De koffie is warm.
- Mijn vrienden zijn in het park.
- Het kind is vijf jaar.
Een gewone zin maken
In een mededeling staat het onderwerp meestal eerst. Daarna komt de juiste vorm van zijn.
Onderwerp + ben/bent/is/zijn + informatie
- Kies het onderwerp.
- Kies de passende vorm van zijn.
- Voeg de informatie toe.
Wij + zijn + thuis → Wij zijn thuis.
De winkel + is + open → De winkel is open.
Jij + bent + mijn buurman → Jij bent mijn buurman.
Quick check
Try one question now.
Check your answer when you are ready. No sign-in needed.
Een ontkenning maken
Met niet zeg je dat een eigenschap, een toestand of een plaats niet klopt. Niet staat hier na de vorm van zijn.
| Positief | Negatief |
|---|---|
| Ik ben moe. | Ik ben niet moe. |
| Zij is thuis. | Zij is niet thuis. |
| De winkels zijn open. | De winkels zijn niet open. |
Gebruik geen als het onbepaalde een of een zelfstandig naamwoord zonder lidwoord wordt ontkend. Bij de of het gebruik je niet.
- Hij is geen docent.
- Dit is geen probleem.
- Hij is niet de docent.
Zet niet direct na de vorm van zijn.
✓ Ik ben niet moe.
✗ Ik ben moe niet.
Een vraag stellen
In een ja-neevraag staat de vorm van zijn vóór het onderwerp.
Ben/bent/is/zijn + onderwerp + informatie?
| Mededeling | Vraag |
|---|---|
| Ik ben te laat. | Ben ik te laat? |
| Jij bent klaar. | Ben jij klaar? |
| U bent meneer Vos. | Bent u meneer Vos? |
| Zij is thuis. | Is zij thuis? |
| Jullie zijn moe. | Zijn jullie moe? |
Let op: je zegt jij bent, maar in een vraag zeg je ben jij. De -t verdwijnt als jij/je direct na het werkwoord staat.
Ook na een eerste zinsdeel staat de vorm van zijn vóór het onderwerp: Vandaag ben ik thuis. Met een vraagwoord: Waar ben je?
Ben je thuis? — Ja, ik ben thuis.
Is de supermarkt open? — Nee, de supermarkt is niet open.
Zijn de kinderen klaar? — Ja, ze zijn klaar.
Kort samengevat
- Gebruik ben bij ik.
- Gebruik bent bij jij/je en u.
- Gebruik is bij hij, zij/ze en het.
- Gebruik zijn bij wij/we, jullie en meervoudig zij/ze.
- Zet de vorm van zijn voor het onderwerp om een ja-neevraag te maken.
You reached the end
You reached the endNow make it stick.
Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.
Was this lesson helpful?
Vocabulary in this lesson
25 words, ready to study.
Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.
Save any of these 25 words and review them later.
Onderwerpen bij het werkwoord zijn
25 wordsLast updated October 11, 2026