Question 1
Ravi vertelt wat hij vanavond wil doen: _____
Options: Ravi wil vanavond pasta maken., Ravi wil maken vanavond pasta., Ravi vanavond wil pasta maken.
Kies de natuurlijke zin. De persoonsvorm staat links en het hele werkwoord staat aan het einde.
Question 1
Ravi vertelt wat hij vanavond wil doen: _____
Options: Ravi wil vanavond pasta maken., Ravi wil maken vanavond pasta., Ravi vanavond wil pasta maken.
Question 2
De studenten vertellen wat zij met de nieuwe woorden kunnen doen: _____
Options: De studenten kan de nieuwe woorden oefenen., De studenten kunnen de nieuwe woorden oefenen., De studenten kunnen oefenen de nieuwe woorden.
Question 3
Lena legt uit waarom ze vandaag afwezig is: _____
Options: Lena kan komen vandaag niet naar de les., Lena kunnen vandaag niet naar de les komen., Lena kan vandaag niet naar de les komen.
Question 4
Je begint met morgen en vertelt daarna over het pakket: _____
Options: Morgen moet ik het pakket versturen., Morgen ik moet het pakket versturen., Morgen moet ik versturen het pakket.
Question 5
Je noemt eerst de plaats waar Sara een fiets kan huren: _____
Options: In deze winkel Sara kan een fiets huren., In deze winkel kan Sara een fiets huren., In deze winkel kan huren Sara een fiets.
Question 6
Je begint met het tijdstip waarop de medewerkers de deur openen: _____
Options: Om negen uur de medewerkers gaan de deur openen., Om negen uur gaat de medewerkers de deur openen., Om negen uur gaan de medewerkers de deur openen.
Question 7
Je vraagt aan één vriend of die na de lunch koffie wil drinken: _____
Options: Wil jij na de lunch koffie drinken?, Wil drinken jij na de lunch koffie?, Wilt jij na de lunch koffie drinken?
Question 8
Je vraagt meerdere vrienden of zij zaterdag bij jullie kunnen eten: _____
Options: Kan jullie zaterdag bij ons eten?, Kunnen jullie zaterdag bij ons eten?, Kunnen eten jullie zaterdag bij ons?
Question 9
Je vraagt of de bezoeker hier zijn naam moet invullen: _____
Options: Moet invullen de bezoeker hier zijn naam?, Moeten de bezoeker hier zijn naam invullen?, Moet de bezoeker hier zijn naam invullen?
Question 10
Je vertelt dat je broer wil slapen, zonder extra informatie: _____
Options: Mijn broer wil slapen., Mijn broer slapen wil., Mijn broer willen slapen.
Question 11
Jullie leggen uit dat oefenen vanavond niet mogelijk is: _____
Options: Wij kan vanavond niet samen oefenen., Wij kunnen vanavond niet samen oefenen., Wij vanavond kunnen niet samen oefenen.
Question 12
De verpleegkundige vertelt wat zij om zes uur moet doen: _____
Options: De verpleegkundige moeten het medicijn om zes uur brengen., De verpleegkundige moet brengen het medicijn om zes uur., De verpleegkundige moet het medicijn om zes uur brengen.
Question 13
Je begint met de plaats en zegt dat rustig werken vandaag niet lukt: _____
Options: Op kantoor kan ik vandaag niet rustig werken., Op kantoor ik kan vandaag niet rustig werken., Op kantoor kan werken ik vandaag niet rustig.
Question 14
Je vraagt of Noor morgen in het park gaat hardlopen: _____
Options: Gaan Noor morgen in het park hardlopen?, Gaat Noor morgen in het park hardlopen?, Gaat hardlopen Noor morgen in het park?
Question 15
Je vertelt wat je buren deze week met hun keuken moeten doen: _____
Options: Mijn buren moet deze week hun keuken schilderen., Mijn buren moeten schilderen deze week hun keuken., Mijn buren moeten deze week hun keuken schilderen.
Practice Zet het zinskader goed with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Zet het zinskader goed in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.