Question 1
Ik vertel mijn huisgenoot over mijn plan voor morgen: "Ik _____."
Options: wil morgen mijn kamer opruimen, wil opruimen morgen mijn kamer, wilt morgen mijn kamer opruimen
Kies de woorden die de zin of vraag natuurlijk afmaken. Let op beide kanten van het zinskader.
Question 1
Ik vertel mijn huisgenoot over mijn plan voor morgen: "Ik _____."
Options: wil morgen mijn kamer opruimen, wil opruimen morgen mijn kamer, wilt morgen mijn kamer opruimen
Question 2
De kok _____.
Options: gaan om zes uur het eten maken, gaat om zes uur het eten maken, gaat maken om zes uur het eten
Question 3
Wij willen op tijd bij de trein zijn: "Wij _____."
Options: moet op het station de trein halen, moeten halen op het station de trein, moeten op het station de trein halen
Question 4
Vanmiddag _____.
Options: wil Eva in het park wandelen, Eva wil in het park wandelen, wil wandelen Eva in het park
Question 5
In de bibliotheek _____.
Options: wij kunnen rustig Nederlands leren, kunnen wij rustig Nederlands leren, kan wij rustig Nederlands leren
Question 6
Volgende week _____.
Options: mijn ouders gaan de keuken schilderen, gaat mijn ouders de keuken schilderen, gaan mijn ouders de keuken schilderen
Question 7
Amir _____.
Options: kan morgen niet met ons komen, kan komen morgen niet met ons, kunnen morgen niet met ons komen
Question 8
De kinderen _____.
Options: kan vandaag niet buiten spelen, kunnen vandaag niet buiten spelen, kunnen spelen vandaag niet buiten
Question 9
Sofie _____.
Options: rusten wil, willen rusten, wil rusten
Question 10
_____? Je vraagt of Lucas morgen de fiets wil repareren.
Options: Wil Lucas morgen de fiets repareren, Wil repareren Lucas morgen de fiets, Wilt Lucas morgen de fiets repareren
Question 11
_____? Je vraagt of je vrienden vanavond kunnen komen.
Options: Kan je vrienden vanavond komen, Kunnen je vrienden vanavond komen, Kunnen komen je vrienden vanavond
Question 12
_____? Je vraagt of de klant het bericht moet lezen.
Options: Moet lezen de klant het bericht, Moeten de klant het bericht lezen, Moet de klant het bericht lezen
Question 13
Mijn zus _____.
Options: moet vanmiddag in de winkel werken, moeten vanmiddag in de winkel werken, moet werken vanmiddag in de winkel
Question 14
Bij de receptie _____.
Options: de bezoeker moet zijn naam schrijven, moet de bezoeker zijn naam schrijven, moet schrijven de bezoeker zijn naam
Question 15
Om acht uur _____.
Options: de trein kan nog niet vertrekken, kunnen de trein nog niet vertrekken, kan de trein nog niet vertrekken
Practice Maak het zinskader af with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Maak het zinskader af in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.