Question 1
Heeft kamer 12 schone handdoeken? De receptionist controleert _____.
Options: dat heeft kamer 12 schone handdoeken, of kamer 12 schone handdoeken heeft, of heeft kamer 12 schone handdoeken
Kies in elke situatie de juiste verbinding, woordvolgorde of afsluiting.
Question 1
Heeft kamer 12 schone handdoeken? De receptionist controleert _____.
Options: dat heeft kamer 12 schone handdoeken, of kamer 12 schone handdoeken heeft, of heeft kamer 12 schone handdoeken
Question 2
Mogen bezoekers hier fotograferen? Kunt u mij vertellen _____?
Options: of mogen bezoekers hier fotograferen, dat bezoekers hier fotograferen mogen, of bezoekers hier mogen fotograferen
Question 3
De uitslag is nog niet binnen. We weten niet _____.
Options: of ons voorstel is gekozen, dat ons voorstel is gekozen, of is ons voorstel gekozen
Question 4
In de planning staat _____.
Options: of vertrekt de bus om acht uur, dat de bus om acht uur vertrekt, of de bus om acht uur vertrekt
Question 5
Moet iedereen een tas meenemen? De organisator vraagt _____.
Options: of moet iedereen een tas meenemen, dat iedereen moet een tas meenemen, of iedereen een tas moet meenemen
Question 6
Heeft de kok de soep gemaakt? We willen nagaan _____.
Options: of de kok de soep heeft gemaakt, of heeft de kok de soep gemaakt, dat de kok heeft de soep gemaakt
Question 7
Komt het pakket vóór vrijdag aan? De klant informeert _____.
Options: dat het pakket vóór vrijdag aankomt, of het pakket vóór vrijdag aankomt, of komt het pakket vóór vrijdag aan
Question 8
Kun jij zien of mijn naam op het scherm staat_____
Options: ., ,, ?
Question 9
Noor onderzoekt of de betaling is gelukt_____
Options: ., ?, ;
Question 10
De baliemedewerker vraagt beleefd: _____ deze bus bij het ziekenhuis stopt?
Options: U kunt zeggen dat, Kunt u zeggen of, Kunt zeggen of u
Question 11
De gids vraagt: Is iedereen klaar? Later zegt hij: Ik heb gevraagd _____.
Options: dat was iedereen klaar, of was iedereen klaar, of iedereen klaar was
Question 12
De arts stelt vast: De wond geneest goed. In het dossier schrijft zij _____.
Options: dat de wond goed geneest, of geneest de wond goed, of de wond goed geneest
Question 13
Kan de les later beginnen? Ik vraag _____.
Options: of kan de les later beginnen, of de les later kan beginnen, dat de les beginnen kan later
Question 14
De reiziger twijfelt: Is dit de juiste halte? Hij weet niet _____.
Options: dat dit de juiste halte is, of is dit de juiste halte, of dit de juiste halte is
Question 15
De keuze blijft open: Gaan we vrijdag _____ zaterdag?
Options: of, dat, omdat
Practice Vragen, controleren en twijfelen with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Vragen, controleren en twijfelen in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.