Fill in the blank

Mededeling, vraag en vraagwoord

Kies de verbinding en woordvolgorde voor de indirecte weergave.

0 / 15 blanks filled0%

Question 1

Lina zegt _____.

Options: dat haar fiets buiten staat, dat staat haar fiets buiten, dat haar fiets staat buiten

Question 2

De kok vertelt _____.

Options: dat heeft hij de soep klaargemaakt, dat hij de soep heeft klaargemaakt, dat hij heeft de soep klaargemaakt

Question 3

"Kun je zwemmen?" Zij vraagt _____ ik kan zwemmen.

Options: dat, want, of

Question 4

"Is het pakket aangekomen?" De verkoper wil weten _____ het pakket is aangekomen.

Options: of, dat, want

Question 5

"Waar ligt mijn tas?" De bezoeker vraagt _____ zijn tas ligt.

Options: of waar, waar, dat

Question 6

Zij wil weten _____ voordat ze een kaartje koopt.

Options: wanneer sluit het zwembad, wanneer het zwembad sluiten, wanneer het zwembad sluit

Question 7

De buurvrouw vraagt _____ terwijl zij de eigenaar helpt zoeken.

Options: waarom de hond is weggelopen, waarom is de hond weggelopen, waarom de hond weggelopen

Question 8

"Wie heeft mijn pen geleend?" De leerling vraagt _____ zijn pen heeft geleend.

Options: of wie, wie, dat wie

Question 9

Ik vraag _____.

Options: of komt Noor later, of Noor komt later, of Noor later komt

Question 10

Weet je _____?

Options: of de bezorger morgen komt, of komt de bezorger morgen, of de bezorger komt morgen

Question 11

De trainer vraagt _____ voordat hij de oefening uitlegt.

Options: of heeft iedereen de instructies gelezen, of iedereen de instructies heeft gelezen, of iedereen heeft de instructies gelezen

Question 12

De reiziger vraagt waarom de trein niet rijdt en _____ er een bus komt.

Options: dat, waarom, of

Question 13

De monteur legt uit _____.

Options: dat het onderdeel vervangen moet worden, dat moet het onderdeel vervangen worden, dat het onderdeel moet vervangen wordt

Question 14

"Klopt de rekening?" De klant wil weten _____ de rekening klopt.

Options: dat, of, want

Question 15

De politie vraagt waar de getuige stond en _____.

Options: hoe had hij de deur geopend, hoe hij had de deur geopend, hoe hij de deur had geopend

Practice Mededeling, vraag en vraagwoord with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.

Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Mededeling, vraag en vraagwoord in everyday Dutch.

Looking for more practice? See all exercises for this lesson.