Question 1
Lina zegt _____.
Options: dat haar fiets buiten staat, dat staat haar fiets buiten, dat haar fiets staat buiten
Kies de verbinding en woordvolgorde voor de indirecte weergave.
Question 1
Lina zegt _____.
Options: dat haar fiets buiten staat, dat staat haar fiets buiten, dat haar fiets staat buiten
Question 2
De kok vertelt _____.
Options: dat heeft hij de soep klaargemaakt, dat hij de soep heeft klaargemaakt, dat hij heeft de soep klaargemaakt
Question 3
"Kun je zwemmen?" Zij vraagt _____ ik kan zwemmen.
Options: dat, want, of
Question 4
"Is het pakket aangekomen?" De verkoper wil weten _____ het pakket is aangekomen.
Options: of, dat, want
Question 5
"Waar ligt mijn tas?" De bezoeker vraagt _____ zijn tas ligt.
Options: of waar, waar, dat
Question 6
Zij wil weten _____ voordat ze een kaartje koopt.
Options: wanneer sluit het zwembad, wanneer het zwembad sluiten, wanneer het zwembad sluit
Question 7
De buurvrouw vraagt _____ terwijl zij de eigenaar helpt zoeken.
Options: waarom de hond is weggelopen, waarom is de hond weggelopen, waarom de hond weggelopen
Question 8
"Wie heeft mijn pen geleend?" De leerling vraagt _____ zijn pen heeft geleend.
Options: of wie, wie, dat wie
Question 9
Ik vraag _____.
Options: of komt Noor later, of Noor komt later, of Noor later komt
Question 10
Weet je _____?
Options: of de bezorger morgen komt, of komt de bezorger morgen, of de bezorger komt morgen
Question 11
De trainer vraagt _____ voordat hij de oefening uitlegt.
Options: of heeft iedereen de instructies gelezen, of iedereen de instructies heeft gelezen, of iedereen heeft de instructies gelezen
Question 12
De reiziger vraagt waarom de trein niet rijdt en _____ er een bus komt.
Options: dat, waarom, of
Question 13
De monteur legt uit _____.
Options: dat het onderdeel vervangen moet worden, dat moet het onderdeel vervangen worden, dat het onderdeel moet vervangen wordt
Question 14
"Klopt de rekening?" De klant wil weten _____ de rekening klopt.
Options: dat, of, want
Question 15
De politie vraagt waar de getuige stond en _____.
Options: hoe had hij de deur geopend, hoe hij had de deur geopend, hoe hij de deur had geopend
Practice Mededeling, vraag en vraagwoord with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Mededeling, vraag en vraagwoord in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.