Question 1
De verpleegkundige zegt _____.
Options: dat zij ons helpt, dat zij helpt ons, dat helpt zij ons
Pas personen, tijd, plaats en werkwoordstijd aan het nieuwe vertelperspectief aan.
Question 1
De verpleegkundige zegt _____.
Options: dat zij ons helpt, dat zij helpt ons, dat helpt zij ons
Question 2
Ik vertel over mijn gesprek met de nieuwe buurman en zeg dat _____ mijn gereedschap mag lenen.
Options: hem, hij, zijn
Question 3
De muzikanten vertellen dat zij _____ instrumenten zelf vervoeren.
Options: hen, zij, hun
Question 4
Bij het terugblikken op de verhuizing vertelde de chauffeur dat hij _____ opnieuw naar het oude adres was gereden.
Options: de volgende dag, de volgend dag, het volgende dag
Question 5
Op kantoor zei hij: "Ik werk hier." Vanuit huis vertel ik dat hij _____.
Options: daar werken, daar werkt, werkt daar
Question 6
Vanmorgen zei Noor: "Ik kom vanavond." Vanmiddag: Noor zei dat ze _____ komt.
Options: de vorige avond, de volgende avond, vanavond
Question 7
Zij zei dat de winkel toen _____.
Options: dicht was, was dicht, dicht geweest
Question 8
Zij zei dat de winkel op zondag altijd _____. De regel geldt nog.
Options: is dicht, dicht is, dicht zijn
Question 9
De gids beloofde dat ze na de lunch _____.
Options: zou gekomen, zou ze komen, zou komen
Question 10
De bewoner _____ de lift stuk was.
Options: vertelde mij dat, vertelde mij of, vertelde mij want
Question 11
De buurvrouw zei tegen mij _____ haar sleutel verdwenen was.
Options: want, dat, dan
Question 12
De beheerder vraagt zich af _____ de deur gesloten is.
Options: dat, dan, of
Question 13
De krant meldt _____.
Options: dat er vanavond zware wind wordt verwacht, want er vanavond zware wind wordt verwacht, dat wordt er vanavond zware wind verwacht
Question 14
De arts noemt het risico nadrukkelijk en _____ dat het medicijn slaperigheid kan veroorzaken.
Options: vraagt, waarschuwt, onderzoekt
Question 15
Tijdens het overleg vertelde Fatima aan Eva _____ de aanvraag zou indienen.
Options: dat haar, dat Fatima, dat zou Fatima
Practice Perspectief, tijd en werkwoord with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Perspectief, tijd en werkwoord in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.