Question 1
Ik heb lang geoefend en het tillen lukt nu. Ik _____ de zware doos tillen.
Options: wil, kan, moet
Kies de juiste vorm of woordgroep. Let op betekenis, vragen en de infinitief.
Question 1
Ik heb lang geoefend en het tillen lukt nu. Ik _____ de zware doos tillen.
Options: wil, kan, moet
Question 2
Jij hebt veel zwemles gehad en zwemt nu goed. Jij _____ honderd meter zwemmen.
Options: kunt, moet, kunnen
Question 3
Mila spreekt al jaren Nederlands. Zij _____ zonder hulp een Nederlandse krant lezen.
Options: kunnen, mag, kan
Question 4
Volgens de agenda is de kamer om drie uur vrij. Wij _____ daar dan vergaderen.
Options: kunnen, kun, wilt
Question 5
Ik ben moe. Ik _____ naar bed.
Options: wilt, wil, willen
Question 6
_____ je deze zomer naar Gent reizen?
Options: Wilt, Willen, Wil
Question 7
Noor blijft liever op kantoor. Zij _____.
Options: wil niet thuis te werken, wil niet thuis werken, willen niet thuis werken
Question 8
Wij hebben één wens: vroeg vertrekken. Wij _____ om zeven uur vertrekken.
Options: willen, wilt, moeten
Question 9
De dokter zegt dat rust noodzakelijk is. Ik _____.
Options: moet vandaag thuis te blijven, moet vandaag thuis blijft, moet vandaag thuis blijven
Question 10
Volgens de schoolregel is een helm verplicht. Jij _____ op deze fiets een helm dragen.
Options: moet, mag, wilt
Question 11
De arts geeft een duidelijke opdracht. De patiënt _____ vanavond het medicijn innemen.
Options: kan, moet, moeten
Question 12
Onze chef zegt dat acht uur de verplichte begintijd is. Wij _____ om acht uur beginnen.
Options: mogen, moet, moeten
Question 13
_____ ik om drie uur vertrekken? Ja, je hebt toestemming.
Options: Mag, Mogen, Magt
Question 14
Je moeder geeft jou toestemming om buiten te spelen. Jij _____ tot zes uur buiten spelen.
Options: moet, mag, mogen
Question 15
De docent geeft alle kinderen toestemming om naar buiten te gaan. De kinderen _____ op het plein spelen.
Options: mag, moeten, mogen
Practice Vier betekenissen with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Vier betekenissen in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.