Question 1
Na de controle bleek: het team heeft hard _____, de redacteur heeft geen detail _____ en de assistent heeft het formulier _____.
Options: gewerkt, gewerkd, gewerkdt, werkte, gemisd, gemist, gemisdt, miste, gefaxd, faxte, gefaxt, gefaxdt
Kies de juiste uitgang bij zwakke en sterke werkwoorden en bij scheidbare vormen.
Question 1
Na de controle bleek: het team heeft hard _____, de redacteur heeft geen detail _____ en de assistent heeft het formulier _____.
Options: gewerkt, gewerkd, gewerkdt, werkte, gemisd, gemist, gemisdt, miste, gefaxd, faxte, gefaxt, gefaxdt
Question 2
De familie is vorige maand _____; sindsdien is er veel _____.
Options: verhuist, verhuisdt, verhuisde, verhuisd, gebeurd, gebeurt, gebeurdt, gebeurde
Question 3
De medewerker heeft op het eerste bericht _____ en daarna alle vervolgvragen _____.
Options: geantwoord, geantwoordt, antwoordde, beantwoord, beantwoort, beantwoordt, beantwoordde
Question 4
We hebben na de bijeenkomst nog lang _____.
Options: gepraatd, gepraatt, gepraat, praatte
Question 5
De procedure is sinds januari volledig _____.
Options: verandert, veranderde, veranderdt, veranderd
Question 6
De onderzoeker heeft eindelijk de ontbrekende bron _____.
Options: gevind, gevonden, gevindt, gevond
Question 7
De auteur heeft drie artikelen _____ en is daarna hoofdredacteur _____.
Options: geschrijft, geschreven, geschrijfd, schreef, gewordt, geword, geworden, werd
Question 8
De woordvoerder _____ gisteren alle vragen van de pers.
Options: beantwoord, beantwoordt, beantwoorde, beantwoordde
Question 9
Vorige week _____ het team thuis en _____ de directeur naar Brussel.
Options: werkte, werkde, gewerkt, werkt, verhuiste, verhuisde, verhuisd, verhuist
Question 10
Tijdens de storing _____ de manager met de klant, _____ de technicus het systeem uit en _____ iedereen geduldig.
Options: praatde, gepraat, praatte, praate, zete, gezet, zetde, zette, wachtte, wachte, gewacht, wachtde
Question 11
Gisteren _____ zij lang met de leverancier; daarna heeft ze ook met de klant _____.
Options: praatde, praatte, gepraat, praate, gepraatt, gepraatd
Question 12
De _____ rekening ligt in het archief; volgens het systeem is alles _____.
Options: betaald, betaalt, betaalden, betaalde, betaaldt
Question 13
Het _____ plan ligt op tafel; het plan is sinds gisteren _____.
Options: veranderd, veranderde, verandert, veranderdt
Question 14
Elke kandidaat _____ zich online aan. Noor heeft zich gisteren al _____. In de handleiding staat: “_____ je vóór vrijdag aan.”
Options: meld, meldd, melt, meldt, aangemeld, aangemeldt, aanmeldde, aangemelt, Meldt, Meld, Meldde, Aanmeld
Question 15
De organisatie _____ de datum morgen aan. Zij heeft de wijziging al _____. In de instructie staat: “_____ uw besluit tijdig aan.”
Options: kondigd, kondig, kondigt, kondigde, aangekondigt, aankondigde, aangekondigdt, aangekondigd, Kondig, Kondigt, Kondigde, Aankondig
Practice Kies verleden tijd en voltooid deelwoord with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Kies verleden tijd en voltooid deelwoord in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.