Question 1
Dit is de _____ bakker van de buurt.
Options: beste, best, betere
Kies de vorm die past bij het zelfstandig naamwoord of de handeling.
Question 1
Dit is de _____ bakker van de buurt.
Options: beste, best, betere
Question 2
Dat is het _____ plan.
Options: best, beter, beste
Question 3
Van iedereen heeft Noor het _____ geoefend.
Options: meest, veelst, meer
Question 4
De kraan gebruikt het _____ water.
Options: meest, meeste, meer
Question 5
Dit apparaat gebruikt de _____ energie.
Options: minst, minder, minste
Question 6
Van de drie drinkt Sara het _____.
Options: minst, weinigst, minder
Question 7
Mijn zus speelt _____ buiten dan binnen.
Options: liefst, liever, graagst
Question 8
Vanaf ons huis is het zwembad _____ weg dan de bibliotheek.
Options: verst, verder, verrer
Question 9
Ik werk vier dagen, Amir twee en Sara één. Sara werkt het _____.
Options: minder, weinigst, minst
Question 10
Noor leest tien boeken, Amir zes en Sara drie. Noor leest de _____ boeken.
Options: meeste, meest, meer
Question 11
Met mijn nieuwe bril kan ik _____ zien dan met mijn oude.
Options: best, beter, goeder
Question 12
Van alle verklaringen werkt deze het _____.
Options: beter, goedst, best
Question 13
Ik ga _____ met de trein dan met de bus.
Options: liever, liefst, graag
Question 14
Op vakantie wandel ik het _____.
Options: liever, liefst, graagst
Question 15
Het station ligt ver, maar de luchthaven ligt nog _____.
Options: verst, dichtstbij, verder
Practice Hoogste en laagste with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Hoogste en laagste in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.