Question 1
Er staan honderd fietsen buiten. Dat zijn _____ fietsen.
Options: veel, weinig, genoeg
Kies het hoeveelheidswoord dat bij de situatie past.
Question 1
Er staan honderd fietsen buiten. Dat zijn _____ fietsen.
Options: veel, weinig, genoeg
Question 2
Er kwamen maar twee klanten. Er waren _____ klanten.
Options: genoeg, weinig, meer
Question 3
Voor tien gasten zijn er tien kopjes. Er zijn _____ kopjes.
Options: te weinig, veel, genoeg
Question 4
De zaal heeft twintig stoelen voor dertig mensen. Er zijn _____ stoelen.
Options: te weinig, genoeg, heel veel
Question 5
De thee is onaangenaam zoet. Er zit _____ suiker in.
Options: weinig, te veel, genoeg
Question 6
Het plein was druk, maar dat was geen probleem. Er waren _____ mensen.
Options: te veel, te weinig, heel veel
Question 7
Het werk duurt een uur en ik kan de hele middag blijven. Ik heb dus _____ tijd om het af te maken.
Options: genoeg, te weinig, te veel
Question 8
De vier bedden passen precies in de kamer; er is geen ruimte over. De kamer is dus net _____ voor ons gezin.
Options: genoeg groot, groot genoeg, te groot
Question 9
Iedereen kan je goed verstaan, ook achter in de zaal. Je spreekt _____ om zonder microfoon les te geven.
Options: genoeg duidelijk, te onduidelijk, duidelijk genoeg
Question 10
In mijn kast staan honderd boeken; in jouw kast staan vijftig boeken. Ik heb _____ boeken dan jij.
Options: meer, minder, evenveel
Question 11
Er zit nog één slokje in de fles. Dat is precies voldoende voor mijn pil. Er zit dus _____ water in, maar wel voldoende.
Options: heel veel, weinig, te weinig
Question 12
Er zijn negen stoelen voor tien gasten. We hebben _____ nodig om precies tien stoelen te hebben.
Options: één stoel minder, twee stoelen meer, één stoel meer
Question 13
De soep hoeft niet terug op het vuur en niemand hoeft te blazen of te wachten. Hij is precies _____ om meteen te eten.
Options: warm genoeg, genoeg warm, te warm
Question 14
Er zijn maar twee borden voor tien gasten. Iedereen moet een eigen bord krijgen. We hebben _____ borden.
Options: genoeg, te weinig, heel veel
Question 15
Door de extra peper is het eten zo scherp dat niemand het kan eten. Er zit _____ peper in.
Options: weinig, genoeg, te veel
Practice Hoeveel of voldoende with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Hoeveel of voldoende in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.