Fill in the blank

Hoeveelheden vergelijken

Kies de vorm die de twee hoeveelheden correct vergelijkt.

0 / 16 blanks filled0%

Question 1

Dit jaar zijn er 80 klanten; vorig jaar 60. We hebben _____ klanten dan vorig jaar.

Options: minder, meer, meest

Question 2

Ik drink nu twee koppen; vroeger vier. Ik drink _____ koffie dan vroeger.

Options: weinig, meer, minder

Question 3

De trein kost vijftien euro en de bus tien. De trein kost _____.

Options: meer, minder, evenveel

Question 4

Een volle kom is te veel voor mij. Geef me deze keer iets _____ dan een volle kom.

Options: meer, minder, weinig

Question 5

We hebben zestig stoelen voor zeventig gasten. We hebben tien stoelen _____ nodig.

Options: minder, meest, meer

Question 6

De oude lamp gebruikte tien euro aan stroom per maand, de nieuwe vijf. Met de nieuwe lamp betalen we _____ voor stroom.

Options: minder, meer, evenveel

Question 7

De winkel was open, maar nu is hij _____ open.

Options: nog niet, niet meer, meer niet

Question 8

De winkel opent om tien uur; het is nu negen uur. Hij is _____ open.

Options: niet meer, meer niet, nog niet

Question 9

Wij hebben vandaag meer tijd _____ gisteren.

Options: dan, als, of

Question 10

Mijn bord is leeg, maar ik heb nog honger. Mag ik nog wat _____?

Options: genoeg, meer, evenveel

Question 11

Vandaag kochten we twee appels. Voor morgen hebben we er zes nodig. Wij kopen morgen _____ dan vandaag.

Options: fruit meer, veel fruit, meer fruit

Question 12

Er is brood voor ieder kind en ook voor de docent. We hoeven niets bij te kopen: we hebben _____.

Options: genoeg, te weinig, evenveel

Question 13

Door al die kleine details krijgen we het werk niet op tijd af. We besteden _____ tijd aan die details.

Options: te weinig, te veel, niet genoeg

Question 14

Noor heeft vier boeken en Amir ook vier. Noor heeft _____ boeken _____ Amir.

Options: meer, minder, evenveel, als, dan, of

Question 15

Vorig jaar gebruikten we honderd pakken papier, dit jaar zestig. We gebruiken _____ papier dan vorig jaar.

Options: minder, weinig, meer

Practice Hoeveelheden vergelijken with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.

Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Hoeveelheden vergelijken in everyday Dutch.

Looking for more practice? See all exercises for this lesson.