Question 1
_____ jij morgen met de bus naar school?
Options: Gaat, Ga, Gaan
Kies de juiste vorm in vragen en bij meervoudige onderwerpen. In de laatste situatie kies je drie vormen.
Question 1
_____ jij morgen met de bus naar school?
Options: Gaat, Ga, Gaan
Question 2
_____ je vandaag de boodschappen?
Options: Doe, Doet, Doen
Question 3
_____ jij de kat daar in de tuin?
Options: Ziet, Zien, Zie
Question 4
_____ je het bericht op je telefoon?
Options: Lees, Leest, Lezen
Question 5
Mijn dochter _____ elke avond een stripboek.
Options: lezen, leest, lees
Question 6
Het kind _____ tijdens de pauze een boterham.
Options: eten, eett, eet
Question 7
De kinderen _____ samen hun lunch.
Options: eet, eten, eett
Question 8
Wij _____ om negen uur op school.
Options: zijn, is, ben
Question 9
Jullie _____ nog genoeg tijd voor de opdracht.
Options: heeft, hebt, hebben
Question 10
Mijn vrienden _____ na het eten naar huis.
Options: gaan, gaat, ga
Question 11
De fietsen _____ buiten voor het station.
Options: staat, staan, sta
Question 12
Wij _____ na de les samen ons huiswerk.
Options: doet, doe, doen
Question 13
De bezoekers _____ de toren vanuit het park.
Options: zien, ziet, zie
Question 14
De bussen _____ vandaag om negen uur.
Options: komt, komen, kom
Question 15
In de klas _____ de docenten boeken aan de cursisten. De cursisten _____ de boeken mee naar hun tafel en _____ daarna de eerste tekst.
Options: geeft, geef, geven, nemen, neemt, neem, leest, lezen, lees
Practice Vragen en meervoud with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Vragen en meervoud in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.